"Toen hij dood was, voelde ik me opgelucht. Ik was vrij.'

Dit is het vierde deel van een serie over mannen en vrouwen die hun (ex)partner doodden of hiertoe een poging deden. Wat was de eis? Hoe luidde de straf. En waarom deden ze het?

Samen met haar minnaar doodde Jacqueline W. (28) vier jaar geleden haar man. De aanklacht: moord met voorbedachte rade. De eis: tien jaar met terbeschikkingstelling. Na het hoger beroep werd dit acht jaar. Vier jaar zitten erop; dankzij de regeling Vervroegde in Vrijheidstelling komt zij over 18 maanden vrij. In de gevangenis krijgen wij een aparte kamer toegewezen. Een bewaarder leidt mij de ene deur binnen. Even later verschijnt via de andere deur een grote blonde vrouw met een mooi maar scherp gezicht. Zij steekt direct van wal.

“Dit interview geef ik omdat er buiten zo ongelooflijk veel vooroordelen bestaan over moordenaars en criminelen. Ik ben een moordenaar, een "killer', maar in de achtergronden verdiept niemand zich. Alleen al op mijn afdeling zitten drie vrouwen voor moord op hun eigen man. Wat wij hebben gedaan, dat doe je niet voor geld, dope, of zomaar. Dat heeft een lange voorgeschiedenis.

“Als ik vroeger berichten las over moordenaars, riep ik altijd: "Die moeten ze ophangen'. Nu durf ik gerust te zeggen dat ieder mens in staat is om te doden. Ik heb hier zoveel mensen gesproken die zitten voor moord; voor moord op hun moeder, hun kind, hun vader, hun man. Allemaal vrij normale mensen en net als ik vrouwen die uit een keurig gezin komen.

“Criminaliteit kwam bij anderen voor, niet bij ons. Wel hoorde ik er altijd veel over, want mijn vader is adjudant bij de politie. Hij zet misdadigers achter slot en grendel. En opeens zat daar zijn eigen dochter die zijn eigen schoonzoon had vermoord. Toen hij het hoorde riep hij: "Als ze op dit moment voor me had gestaan, had ik haar kapot geschoten.' Zijn collega's moesten hem tot bedaren brengen. Hij wilde mij spreken. Dat doet hij tenslotte altijd als die mensen binnenkomen. Maar ik was doodsbang, ik dacht: Hij slaat me dood. Het is een grote sterke man, voor wie ik altijd bang ben geweest. Ik ben met een harde hand opgevoed.

“Thuis gedroeg ik mij keurig en beleefd, maar buiten zocht ik de asociale types op, met de grote auto's, de zware motoren, de leren jacks en lange haren. Ik was welkom, een mooie chick. In die kring kwam ik mijn eerste verloofde tegen. In die relatie waren er al grote problemen. Ik liet me slaan. Eén keer schopte hij me zo in elkaar met laarzen met stalen neuzen, dat ik geopereerd moest worden aan mijn slokdarm, maag en middenrif. Het was kantje boord, maar ik heb het gehaald. De binnenboel was voorgoed kapot. Ik leef met diëten en medicijnen. Pas nu besef ik hoe ernstig dit is en heb ik spijt dat ik die man niet heb aangegeven. Het heeft een voordeel: ik ben er dertig kilo door afgevallen, en die komen nooit meer terug.

“Die gebeurtenis heeft indirect geleid tot mijn daad, want met de man met wie ik later trouwde, herhaalde het patroon zich. Ik kende hem van mijn werk, hij was ook verpleegkundige. Op een avond kwam ik hem tegen in een café. Hij zat zo serieus te praten, dat ik dacht: Die is voor mij. Een man die alles zo goed begreep en kon verwoorden, fantastisch! Ik was niet verliefd, maar ik vond het een bijzondere man. Tien jaar ouder, veel meegemaakt, zag er keurig uit, afgekickt van de drank en vol goede plannen. Hij had een warme uitstraling. Na een week trok hij bij me in; hij was zorgzaam en teder. Ik kon met hem praten.

“Tot hij weer begon met drinken, toen ging het snel bergafwaarts. Als ik iets voor hem kocht, een spijkerbroek of een trui, dan was het huis te klein, want dat deed zijn moeder ook altijd. Hij sloeg, maar dit keer sloeg ik terug. Als hij al een vinger naar me uitstak kreeg hij een kandelaar op zijn hoofd. Alle woede en frustraties die ik in die eerdere relatie had opgelopen sloeg ik eruit: de operatie, de klappen, de littekens, de seksuele afwijzing, want die eerste man vond mij te dik.

“Ook Richard verloor snel zijn interesse in seks. Weer begon ik aan mezelf te twijfelen, maar nu had het andere redenen; hij had homoseksuele relaties. Hij wilde trouwen, maar dan alleen om samen kinderen te krijgen. Krankzinnig gewoon, we sloegen elkaar verrot en we zijn getrouwd. Al gauw werd het zo erg dat ik buiten in mijn onderbroek op straat stond. Uit angst. Maar die angst wilde ik overwinnen, dus zat ik hem de volgende keer met een bijl achterna. Twee keer heeft hij geprobeerd mij te wurgen, maar hij stopte op tijd. Er was nog een grens. Een halfjaar later ben ik daar overheen gegaan.

“Vlak na ons huwelijk leerde ik een jongen kennen. Een spontane vrije jongen. En complimenteus. En dat had ik toen erg nodig. We gingen samen uit, hij kwam bij ons thuis, ik kwam bij hem. We hadden heerlijke seks, veel plezier en ik kon mijn problemen bij hem kwijt. Voor mij was André de reddende engel. Hij stelde me voor de keus: hij of ik. Nou, dat was makkelijk. Ik wilde hem.

“Scheiden was onmogelijk. Ook in onze familie, dat is zo'n blamage. En ik kon niet uit die situatie stappen. Hoe walgelijk het ook is, haat bindt. Bovendien, als ik zei dat ik wilde scheiden des te harder Richard sloeg en hoe gekker hij werd. Niemand wist van die schreeuw- en slachtpartijen. Behalve de buren, buren weten alles. Ook uit trots heb ik mijn mond gehouden. Ik, de dochter van de adjudant, die kon haar eigen boontjes doppen. Maar ondertussen werd ik knettergek van dat dubbelleven. Op mijn werk het zorgzame, leuke vrouwtje, voor mijn ouders en vrienden "het gelukkige stel' en thuis elke dag knokken.

“Samen met Richard ben ik nog naar het Riagg gegaan voor gesprekstherapie. Zij raadden ons aan ieder onze gang te gaan, en ik kreeg medicijnen. Anderhalf jaar slikte ik driemaal per dag een antidepressivum. Vlak voor mijn delict ben ik daar radicaal mee gestopt. Soms vraag ik me af of daar een verband tussen is. Want een maand daarna hebben we hem vermoord.

“Op een dag zei André voor de grap: "Nou, dan laten we hem toch opruimen?' Doe normaal, zei ik. Toch ging ik denken dat het misschien niet eens zo'n gek idee was. Dan kon ik met André verder. Op een gegeven moment ga je zelf geloven dat er geen andere weg is. Op den duur praatten we erover alsof we samen de ramen gingen zemen. Volstrekt bezopen. Het enige wat voor ons telde was: Als hij dood is, ben ik vrij en kunnen wij samen zijn.

“Het gebeurde bij ons thuis, tegen de kerst. Richard zou opendoen en het plan was dat André dan direct een Paralyser op zijn hart zou zetten, een elektronisch pistool. Dan zou zijn hart stilstaan en zouden we hem ophangen, zodat het leek op zelfmoord. Maar André durfde niet, dus toen zaten we opeens met z'n drieën in de zitkamer koffie te drinken. Opeens liep André op hem af en zette het pistool op hem. Er ontstond een gevecht. Ik greep een colafles en sloeg die stuk op Richards hoofd. Maar hij ging maar door. Opeens zag ik dat overal waar André die Paralyser gebruikte, kleine brandgaatjes verschenen. Ik schrok me wild. Ik zat te gillen, ik piste in mijn broek van angst. Ik greep niet in. Dat zit me het meeste dwars, waarom heb ik het niet tegengehouden, hulp gehaald? Uiteindelijk heeft André mijn man met een theedoek gewurgd.

“Je wilt dat iemand doodgaat, maar op het moment dat het gebeurt, denk je: Oh jezus, hij gaat echt dood. Toch, toen hij dood was, voelde ik me opgelucht. Ik was vrij. Hij zou me nooit meer iets kunnen aandoen.

“Nadat we hem in de slaapkamer aan een haak hadden opgehangen, zijn we naar een kerstborrel van ons werk gegaan. Dat was ons alibi. Tijdens het diner kreeg ik geen hap door mijn keel, maar van buiten zag niemand iets. Diezelfde avond heb ik de politie gebeld en gezegd dat mijn man dood was. Zij zagen onmiddellijk dat hier iets heel vreemds aan de hand was. Ik bibberde, trilde, raakte mijn tekst kwijt en viel uit mijn rol. Ik ben naar het bureau gebracht, André werd van zijn bed gelicht. Ik heb direct bekend.

“Ook André is veroordeeld tot acht jaar. We hadden afgesproken dat we er samen doorheen zouden komen. Maar hij is weer verloofd met zijn ex-vrouw. Daar heb ik veel verdriet van gehad, ik hield echt van hem. Soms vraag ik me wel eens af of die hele geschiedenis niet nutteloos is geweest. Gevoelens van spijt heb ik alleen, als ik aan zijn, aan mijn familie denk, maar niet als het gaat om Richard zelf. Met zijn dood heb ik geen moeite. Hij heeft rust en ik zit met de shit - zo zie ik dat.

“Toen ik hier binnenkwam, was ik keihard en agressief, echt een beest. De afgelopen jaren ben ik sterk veranderd, ook dankzij de therapie. De therapeut beweert dat het nooit meer zal gebeuren, omdat ik nu de oorzaken inzie. Toch twijfel ik soms. Tenslotte is het al een keer gebeurd. Maar waarschijnlijk zal ik straks dat type man niet meer kiezen. Bij de eerste klap die nu valt, is het inpakken en wegwezen.

“Mijn vrienden en vriendinnen heb ik op een na behouden. Mijn ouders zijn door veel ellende gegaan, maar tegenwoordig kunnen we met elkaar praten. Met een van mijn broers is de band juist sterker geworden. Hij had de laatste jaren grote problemen met zijn vrouw. Uiteindelijk is ze bij hem weggegaan. Toen wilde hij haar vermoorden. Dat soort neigingen, die kende ik dus wel. Ik zei: "Doe niet, straks zitten we hier met z'n tweeën'.

“Als ik vrijkom, kan ik altijd bij mijn ouders aankloppen, maar ik wil mijn eigen leven leiden. Ik wil weer een baan in de gezondheidszorg, zoals vroeger. Dat is fantastisch werk. Bij vlagen bespringt mij de gedachte: Dit zijn verloren jaren. wat had ik in die tijd niet allemaal kunnen doen? Nu zet ik voor drieënvijftig gulden per week honde- en kattemanden in elkaar. Of ik maak, zoals vandaag, kerstkransen.”