Tate en Rotterdams orkest spelen alsof er niets aan de hand was

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Jeffrey Tate m.m.v. Bruno Leonardo Gelber, piano. Programma: L. v. Beethoven: Vijfde pianoconcert; A. Bruckner: Vierde symfonie. Gehoord: 6/11 De Doelen Rotterdam. Herhaling: 7/11 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

Alsof er helemaal niets aan de hand was geweest tussen hem en het Rotterdams Philharmonisch Orkest dirigeerde Jeffrey Tate gisteravond zijn orkest in de Rotterdamse Doelen op hetzelfde podium waar hij afgelopen maandag zijn toekomstig vertrek als chef-dirigent had aangekondigd. Sindsdien was uitsluitend gerepeteerd op muziek die zal worden gespeeld tijdens een tournee die vanaf aanstaande woensdag voert naar Spanje, waar het Rotterdamse orkest en Tate zes concerten geven, en naar Curaçao, waar twee keer wordt opgetreden. Naast muziek van Hendrik Andriessen, Brahms, Schubert en Mozart staat ook het gisteren gespeelde concert op het tourneeprogramma: het Vijfde pianoconcert van Beethoven, met de Argentijnse pianist Bruno Leonardo Gelber als solist, en de Vierde symfonie (de "Romantische') van Bruckner.

Nu een eind in zicht is aan het wederzijdse ongemak van de onderlinge samenwerking waarvan orkest en dirigent zulke verschillende verwachtingen bleken te hebben, kunnen beide partijen zich kennelijk weer op ontspannen wijze concentreren op de muziek zelf, iets dat toch al het doel van Tate was. Dat resulteerde gisteravond in een prachtig concert dat gelukkig een vertrouwenwekkende basis lijkt te vormen voor de periode van ruim anderhalf jaar waarin Tate en het Rotterdams Philharmonisch Orkest nog gezamenlijk moeten optrekken.

Beethovens Vijfde pianoconcert kreeg een bijna ouderwets breed uitgemeten vertolking, waarbij Gelber optrad als het smaakvol beheerste prototype van de klassieke concertpianist: de klavierleeuw. Tussen haast beukend akkoordenspel en bijna parelende pianissimi wist hij tal van subtiele gradaties aan te brengen, vooral in het Adagio, waarvan de broze sfeer uiteindelijk toch iets meer klonk als beredeneerd dan als geïnspireerd. Na het sterk expansief begonnen Allegro was het Rondo bepaald ingetogener dan de brallerigheid die hier ook mogelijk is.

Maar de uitvoering als geheel werd toch gedragen door Tate, die zich in de begeleiding veel moeite gaf de klank per passage telkens weer anders te modelleren en daarin naar originele fraseringen te zoeken. De inventieve muzikaliteit en de technische zorgvuldigheid straalden er vanaf en gaven het overbekende stuk weer nieuwe glans.

Diezelfde werkwijze, maar dan nog rijkelijk gedetailleerder, paste Tate toe op Bruckners Vierde symfonie. Anders dan in de mij te introverte Zesde van Bruckner wist Tate nu de minutieuze aandacht voor de in alle rust schitterend afgewerkte details zeer bevredigend te combineren met het nevenschikken en het opstapelen van de klankblokken, het aanbrengen van de lange dynamische lijnen en de proportionering van de crescendi.

Speelse details in expressie en ritmiek doorschoten de strenge en zorgvuldig uitgevoerde opbouw. Daarbij bleven de instrumenten altijd scherp los van elkaar gedefinieerd, als bij een streepjescode of - passender gezegd bij de kerkmusicus Bruckner - als orgelpijpen. Pas na bijna een uur klonk het volle werk - ook al een orgelterm! - in maximaal majesteitelijke glorie.

Na afloop schonk Tate zijn bloemen van harte aan concertmeester Gerard Hettema en daarmee aan het orkest dat onder zijn leiding zo voortreffelijk had gespeeld. Nee, als men niet beter wist, kon men op grond van dit concert concluderen dat er werkelijk iets prachtigs opbloeit tussen het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Jeffrey Tate.