Richard Tuttle maakt van Boymans-collectie expositie; Hooghartig of vrolijk aardewerk

Tentoonstelling: Oxyderood; werken van Richard Tuttle en een keuze uit zijn verzameling keramiek, textiel en glas in combinatie met pre-industriële gebruiksvoorwerpen uit de collectie Van Beuningen-de Vriese. T/m 17 jan. in museum Boymans-van Beuningen Rotterdam, di t/m za 10-17u., zo 11-17u. Catalogus: 42,50 gld.

Een donker, doordringend geluid klinkt op in de Wintertuin van museum Boymans. In het paviljoen Van Beuningen-de Vriese staat Richard Tuttle (1941) op een hoornvormige schelp te blazen; ooit deed die dienst bij Tibetaanse religieuze riten. De diepe, vibrerende toon die hij voortbrengt zou het 'oergeluid' zijn waaruit de wereld is ontstaan. De door de tijd en vele handen bruin als ebbehout geworden schelp is één van de lievelingen uit de collectie pre-industriële gebruiksvoorwerpen die de tekenaar en beeldhouwer Tuttle in zijn bezit heeft en vanaf vandaag in Rotterdam exposeert.

Die verzameling bestaat vooral uit negentiende-eeuwse Amerikaanse (waaronder Indiaanse) 'rode' keramiek, maar er zijn ook Japanse theekommen, Boheems glaswerk en Turkse tapijten. De dit jaar overleden conservatrice Alma Ruempol die de collectie gebruiksvoorwerpen Van Beuningen-de Vriese beheerde, nodigde Tuttle als gastconservator uit. Na Harald Szeemann en Peter Greenaway is Tuttle de derde gast die uit een deelcollectie van museum Boymans een tentoonstelling samenstelde. De verzamelstukken van de Amerikaan zelf worden getoond in combinatie met tekeningen en wandobjecten van zijn eigen hand; zo zijn niet alleen "hoge" en "lage" kunst op gelijkwaardig niveau bijeengebracht, maar door de prachtige ensceneringen die Tuttle per vitrine maakte, zag ik ineens wat er mooi kan zijn aan 'onaanzienlijke', vaak beschadigde kannen en vazen. In de catalogus geeft de kunstenaar bovendien bij een aantal stukken tekst en uitleg over de reden waarom hij ze aankocht.

De aan stillevens verwante opstellingen - om de potten heen zijn rode tapijten gedrapeerd die ze beter doen uitkomen- maken het mogelijk elk voorwerp rustig te bekijken. Hoe kijkt iemand die zich gewoonlijk bezighoudt met beeldende kunst naar al die op het oog nogal eenvormige, bruin geglazuurde dingen?

Tuttle vertelt over een Japanse keramist, Rosanjin, die tot 1960 werkzaam was; deze man deed soms urenlang niets anders dan naar zijn verzameling potscherven kijken, naar hun vorm, het glazuur of de textuur: "Hij was verliefd op aardewerk". Rosanjin is Tuttle's grote voorbeeld: hij probeert via zijn ogen naar voorwerpen te kijken. Van de Japanner zijn onder meer vijf theekommen opgesteld die eruit zien als opengevouwen bloemen. "Als je wilt, kun je in een pot alles uitgedrukt zien wat het leven inhoudt. De maker heeft hem niet voor niets lang en dun en hooghartig gemaakt, of rond en vrolijk, of met een peinzend, filosofisch schenktuitje. Dat specifieke kun je proberen op te sporen en ga je waarderen als de kwaliteit van zo'n pot. Een uit de hand getrokken lijntje, de oneffenheden in het glazuur, dat zijn de uitdrukkingsmogelijkheden van de pottenbakker. Het lijkt misschien onbelangrijk maar het is een heel genuanceerde vorm van expressie."

Ook de sociaal-politieke omstandigheden waarin een gebruiksvoorwerp ontstond, betrekt Tuttle bij het kijken. Zo bespeurt hij in veel negentiende-eeuws Amerikaans aardewerk het optimisme dat na de Onafhankelijkheidsstrijd overheerste. Hetzelfde geldt voor de een beetje kitscherig uitziende glazen uit Bohemen: na de Frans-Duitse oorlog drukte de Biedermeier-stijl de opluchting over de herwonnen vrijheid uit, aldus Tuttle. Hij wijst me op de bloemetjes van zuiver goud die op het fel-roze of groene glaswerk zijn geschilderd en op de decoratieve motieven die aan de islam zijn ontleend.

Ook is er een zoutvat van Meissen porselein, dat frivool aandoet tussen de onopgesmukte andere stukken. "Vroeger háátte ik deze decadente hofstijl; totdat iemand me wees op het vakmanschap waarmee zo'n miniem insect is aangebracht dat het opsiert, of zo'n vlindertje."

De kunstenaar zucht als ik vraag of het prettig is om de mooiste stukken uit zijn eigen verzameling nu tentoongesteld te zien. "Collectioneren is een zenuwslopende bezigheid, een soort ziekte eigenlijk. Thuis heb ik geen enkel voorwerp opgesteld, omdat het me treurig zou maken." Hij wijst op de theekommen van Rosanjin: "Als ik hier bijvoorbeeld naar kijk, herinner ik me onmiddellijk alle potten die ik van hem zou willen hebben maar niet bezit. Dan sla ik aan het piekeren hoe ik ze wèl zou kunnen bemachtigen."

Toch biedt het collectioneren wel een paar geneugten, geeft hij toe: "Het feit dat jij als enige dit voorwerp in je bezit hebt, dat er misschien zelfs niemand anders is die ziet dat dit een uitzonderlijk werkje is- dat is een euforisch gevoel. Ik kan me diverse objecten die ik heb verworven moeiteloos voor de geest halen, ze staan net zo scherp in mijn geheugen gegrift als een bijzondere dag uit mijn leven."

Tussen de vitrines hangen, weinig opvallend, wandobjecten en tekeningen van Richard Tuttle aan de muren. Ze lijken niet meer dan aanzetten, pogingen tot tekenen of beeldhouwen: rudimentaire vormen overheersen, de kleurschetsen hebben in hun pogen iets uit te drukken veel weg van kindertekeningen. Tuttle's oeuvre vereist net zoveel secure aandacht als het bekijken van het glazuur of een ronding bij de potten in de vitrines rondom. Achterin het park waarop je vanuit het paviljoen Van Beuningen-de Vriese kijkt, staan twee beelden van Richard Tuttle: een open vierkant en een verticale lijn met drie dwarsbalken. Ze lijken nog het meest op Chinese lettertekens. Je zou ze bijna over het hoofd zien, alleen hun kleur trekt de aandacht: oxyderood.

    • Renée Steenbergen