Politiechefs: hulpagenten wel bewapenen

DEN HAAG, 7 NOV. De politiechefs maken ernstig bezwaar tegen de beslissing van minister Dales (binnenlandse zaken) om de volgend jaar aan te stellen politie-surveillanten niet met vuurwapens uit te rusten. De 25 politiechefs verenigd in het Coördinerend Politie Beraad vinden het noodzakelijk dat deze hulpagenten wapens krijgen; handboeien en wapenstok zijn onvoldoende. Dit blijkt uit een vertrouwelijke briefwisseling tussen de bewindsvrouw en de voorzitter van het Coordinerend Politie Beraad, de Enschedese politiecommissaris P.D. IJzerman.

Voor het einde van 1993 worden 800 politiesurveillanten toegevoegd aan de 25 regiokorpsen die volgend jaar ontstaan na een fusie van de korpsen van rijks- en gemeentepolitie en de vorming van een korps landelijke diensten. Als volwaardige medewerkers van het politiekorps dragen zij na een opleiding van zes maanden hetzelfde uniform als "gewone' agenten. Zij beschikken over een algemene opsporingsbevoegdheid, die echter afhankelijk van de uit te oefenen taak kan worden beperkt. De politiesurveillanten zullen vooral in de grote steden worden ingezet.

IJzerman liet de minister op 15 september namens het Coördinerend Politie Beraad weten dat “de algemene beperking van de bewapening van de politiesurveillant tot wapenstok en handboeien ongewenst is”. Hij wees er op dat er eenvoudige werkzaamheden zijn die zich lenen voor de inzet van politiesurveillanten maar waarbij de uitrusting met een vuurwapen noodzakelijk is. Als voorbeeld noemt IJzerman de bewaking van ambassades. Dales zegt in haar brief van 29 oktober dat het niet de bedoeling is dat de surveillanten zich begeven in situaties “waarbij de risico's zodanig liggen dat vuurwapengebruik aan de orde zou kunnen zijn”.

De politiebonden en een meerderheid in de Tweede Kamer zijn het met de minister eens. In hun visie is het werk van de surveillant een opstapfunctie voor het reguliere politiewerk en behoren de surveillanten gezien de korte opleidingsduur en de beperkte taak geen vuurwapen te krijgen.

IJzerman vindt dat "beheer op afstand' van de overheid met zich mee zou moeten brengen dat de beslissing omtrent de uitrusting van de politiesurveillant aan de korpsbeheerder - de burgemeester - moet worden overgelaten. Dales dient zich in de ogen van de politiechefs te beperken tot het stellen van (aanvullende) eisen op het gebied van selectie en opleiding waaraan voldaan dient te zijn voordat een politiesurveillant met een vuurwapen kan worden uitgerust. Dales maakt IJzerman duidelijk dat het háár verantwoordelijkheid is om het begrip "beheer op afstand' inhoud te geven en niet die van de politiechefs.