Orkaters AsVers is een allegorie en is het niet

Voorstelling: AsVers door Orkater. Concept: Peter Zegveld en Dick Hauser. Muziek: Thijs van der Poll. Uitvoerenden: Dick Hauser, Simone de Jong, Thijs van der Poll, Ben Ramakers, Eddy B. Wahr, Peter Zegveld. Gezien: 6/11 Theater Bellevue, Amsterdam. T/m 14/11 aldaar; daarna elders t/m 22/1.

“Jongens, voor we beginnen even dit: speel het klein hè?” Dat vraagt de regisseur aan zijn acteurs, in een scène waarin Orkater een repetitie naspeelt. Het is het laatste beeld uit de musical AsVers, en wie het voorafgaande gezien heeft begrijpt de ironie in 's mans opmerking onmiddellijk. Met subtiel spel heeft deze voorstelling weinig te maken; de reusachtig uitvergrote personages lijken zo uit een stripboek te zijn weggewandeld.

Er is een schurk en er is een lief klein meisje, zo simpel zit het verhaaltje in elkaar. De Onschuld huppelt zingend door een wei vol bloemen; haar jurkje is maagdelijk wit. Het Kwaad draagt een lange rode mantel en een zwart Rambo-geweer. Dat richt hij op het meisje, want, zo briest hij: “Wat ik zie is harmonie”. Waar is volgens hem alleen wat lelijk is; al het mooie is vals en moet vernietigd worden. Op een gegeven moment doodt hij het konijntje van het meisje en daarmee is haar onschuld vermoord. Verkleed als bunny komt zij terug om wraak te nemen.

Dick Hauser en Peter Zegveld legden de schurk allerlei verbasterde literaire citaten in de mond, waarbij ze zich vooral door Caligula, een drama van Albert Camus, lieten inspireren. Camus maakte van de wrede Romeinse keizer een door en door eenzame man die denkt dat hij vrij kan zijn door andere mensen uit de weg te ruimen. De Caligula van Orkater is eerder een volkse duivel, die braaf versjes over zijn eigen slechtheid bijeenrijmelt: “Een leven klein of groot, morgen gaat het dood. Wat niet sterft zijn mijn gedachten. Ik kan er alles mee verkrachten.”

AsVers is een allegorie en is het niet, want het is niet de bedoeling dat de toeschouwer lering uit de geschiedenis trekt. Veel belangrijker is bijvoorbeeld de muziek. De vier muzikanten bespelen de wonderbaarlijkste instrumenten: een orgel van scheepstoeters, een klokkenspel van koebellen, een eensnarige bas. Met dat instrumentarium bereiken zij een geluidsniveau dat meestal akelig dicht bij de pijngrens komt. Maar soms is er een moment van rust; dan hoor je alleen een zuchtend geluid als van een blaasbalg, of het ritmische geborrel van kokend water in een olievat.

De vormgeving komt waar mogelijk letterlijk met de tekst overeen. “Vrouw, ik zie er geen gat meer in,” zegt een boer in klederdracht tegen zijn pronte vrouw. “Dan neem je toch een lekkere kop thee,” zegt de boerin, en zij schenkt thee in een kopje zonder bodem. In de ronde tafel zit een groot rond gat. Als een duveltje uit een doosje komt de man met de rode mantel daaruit tevoorschijn en trekt het meisje met het witte jurkje mee de diepte in. Het laatste dat de boerin van haar dochter ziet zijn haar spartelende beentjes.

Asvers ontleent zijn kwaliteit vooral aan dergelijke doldwaze vondsten. Het is een spektakelstuk waarbij je je niet gauw verveelt, maar zodra je het theater hebt verlaten ben je alles zo weer vergeten.

    • Anneriek de Jong