Op weg naar een Europa à la carte

Het Verdrag van Maastricht kan alleen van kracht worden wanneer alle twaalf lidstaten van de EG het geratificeerd hebben. Denemarken heeft het helaas afgewezen en de Deense regering heeft een reeks voorwaarden geformuleerd waaraan moet worden voldaan, wil zij überhaupt Maastricht een tweede keer aan een referendum onderwerpen. Zij vraagt buiten de defensie-samenwerking en de WEU te blijven, niet aan de EMU mee te hoeven doen, niet gebonden te zijn aan het burgerschap van de Unie en evenmin aan de pijler voor samenwerking op justitie- en politie-gebied.

Dat Denemarken op verzoek van de Deense sociaal-democratische partij ook buiten het sociale protocol van Maastricht wil blijven, is een volstrekt verkeerde conclusie uit het Deense voorstel, die onder andere vorige week de wereld in werd gebracht door een hoofdartikel in NRC Handelsblad. Maar ook zonder dat kan men stellen, dat Denemarken voor meer dan de helft van de wijzigingen die Maastricht brengt, een uitzonderingspositie wil hebben.

Het dilemma voor de andere lidstaten is, dat zonder de Deense instemming Maastricht niet van kracht kan worden, maar dat toegeven aan Denemarken wijzigingen in het Verdrag van Maastricht nodig maken die weer een hele nieuwe ratificeringsronde zou vragen. En men kan zich natuurlijk wel voorstellen wat dat zou betekenen: niet alleen nieuwe referenda met even onzekere uitkomsten, maar ook een premie op nee-zeggen. Immers elke lidstaat die nee zegt kan van de andere elf nieuwe voorwaarden afdwingen, met vervolgens nieuwe ratificatie-ronden.

Het lijkt erop dat het systeem waarmee de Europese Gemeenschap haar "grondwet' verandert op zijn natuurlijke grenzen is gestoten: niet tegemoetkomen aan Denemarken betekent dat het Verdrag van Maastricht niet van kracht kan worden, wel tegemoetkomen aan Denemarken betekent nieuwe onderhandelingen en een hele grote kans op nieuwe problemen bij de ratificatie in andere lidstaten. Mocht dit sombere scenario bewaarheid worden, dan betekent het dat de Gemeenschap ofwel de opgetuigde Interne Markt blijft die zij nu is, ofwel met voorrang de wijze moet veranderen waarop zij tot grondwetswijzigingen komt.

Wat betekent een toegeven aan de Deense wensen?

Het legt de weg open naar een andere Gemeenschap. Tot nu toe heeft de Gemeenschap de doelstelling en de pretentie van homogeniteit gehad, dat betekent dat het één Gemeenschap met één beleid was, waarbij slechts tijdelijke afwijkingen aan lidstaten werden toegestaan. Zelfs het EMU-deel van het Maastrichtse Verdrag is nog geen afwijking van dit grondbeginsel, omdat weliswaar de derde fase met de ene munt en ene bank kan ingaan met een deel van de lidstaten, maar het expliciete of impliciete uitgangspunt is dat de andere lidstaten te eniger tijd zullen volgen. De enige werkelijke afwijking van het grondbeginsel van homogeniteit is het sociale protocol van het Verdrag van Maastricht, waar Groot-Brittannië zichzelf nadrukkelijk van deelname uitsluit. Dit is een doorbreking van de homogeniteit die niet alleen leidt tot twee snelheden, maar ook tot twee gemeenschappen, namelijk één met en één zonder de Britten.

Toegeven aan de Deense wensen zou heterogeniteit niet tot een (ongewenste) uitzondering maken, maar tot een nieuw leidend principe. Er kunnen dan verschillende gemeenschappen naast elkaar komen, het zogenaamde Europa à la carte, waarbij per onderwerp steeds andere lidstaten aan tafel zitten en andere parlementariërs verantwoordelijk zijn voor mede-besluitvorming en controle.

De vraag of zo'n model de samenhang binnen de Gemeenschap zou bevorderen, moet natuurlijk negatief worden beantwoord. Wanneer het principe van de homogeniteit wordt losgelaten, dan valt er een belangrijk drukmiddel om naar compromissen en consensus te zoeken weg, en ligt de weg naar (nog) meer vrijblijvendheid open.

Voor de kandidaat-lidstaten van de EG heeft deze discussie grote relevantie. Want wanneer de Gemeenschap homogeen blijft, met dezelfde eisen en mogelijkheden voor alle lidstaten, dan moeten zij zich eenvoudig conformeren aan het in de Gemeenschap bereikte, aan het zogenaamde acquis communautaire. Dat betekent dat de EVA-landen, zoals Zweden, Oostenrijk, Finland en Zwitserland, hun traditionele neutraliteit op moeten geven en bereid moeten zijn aan een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid mee te doen, voordat ze kunnen meebeslissen over Interne Markt en EMU. Dat betekent ook dat de Visegrad-landen, zoals Hongarije en Polen, aan de eisen van de Interne Markt moeten kunnen voldoen, voordat ze een stem kunnen krijgen in het veiligheids- en defensiebeleid.

Maar bij een Gemeenschap à la carte, waar het Deense voorstel toe zou leiden, kan de Gemeenschap tegen kandidaat-lidstaten niet serieus volhouden dat zij alles moeten slikken wat binnen de EG is bereikt, want het verkrijgen van uitzonderingsposities is dan inmiddels óók een element van het acquis communautaire geworden. De toetreding van niet alleen de EVA-landen, maar ook van de Visegrad-landen zou daarmee een stuk makkelijker worden en sneller kunnen worden gerealiseerd. De vraag is alleen, wat er op die manier nog van de solidariteit binnen de Gemeenschap overblijft en vervolgens wat bijvoorbeeld de Visegrad-landen er werkelijk mee zouden opschieten.

Zal een Unie die uit een toenemend aantal verschillende Gemeenschappen met verschillende deelnemers zal bestaan, nog wel zo'n interessante organisatie zijn om lid van te worden? Het is in ieder geval wel een effectieve (maar wellicht onbedoelde) strategie om de huidige Gemeenschap uit te hollen. En daarmee is het niet een stap vooruit, maar achteruit.