Olympisch comité vergeet dopingaccoord

ZEIST, 7 NOV. Geen enkele Nederlandse sporter die de afgelopen zomer aan de Olympische Spelen meedeed heeft een verklaring ondertekend waarin hij zich onderwerpt aan de dopingvoorschriften. Elke olympische deelnemer dient naast de inschrijving een formulier in te vullen waarin hij verklaart zich te schikken naar de rechten en plichten van de olympische dopingwetgeving. Het Nederlands Olympisch Comité was hier niet van de hoogte, eenvoudigweg omdat het niet is opgevallen dat men van het Internationaal Olympisch Comité de daartoe vereiste formulieren niet heeft ontvangen.

Tot deze constatering kwam prof.mr. N.J.P. Giltay Veth bij een onderzoek naar internationale knelpunten bij de juridische aanpak van doping. De hoogleraar sport en recht aan de Rijksuniversiteit van Leiden gebruikte tijdens de eerste bijeenkomst van de Vereniging voor Sport en Recht de nalatigheid van zowel het internationale als het Nederlandse Olympische Comité om aan te tonen dat het de dopingrechtspraak vaak aan het juridisch vereiste fundament ontbreekt.

“Het moge duidelijk zijn dat bij een dergelijke gang van zaken een goed systeem totaal in elkaar dondert”, zei Giltay Veth.“Het is een absoluut vereiste in mijn ogen dat een deelnemer de dopingvoorschriften integraal moet accorderen, anders ontbreekt de fundamentale grondslag om eventueel te bestraffen.”

Hij voegde er aan toe dat ook het nationaal Olympisch Comité en de nationale bond van de deelnemer het formulier mede moet ondertekenen om te bevestigen dat het Olympic Charter (de olympische statuten) en de verdere regels ter kennis van de deelnemer zijn gebracht. Giltay Veth gaf daarmee aan dat wanneer een Nederlandse deelnemer tijdens de Olympische Spelen betrapt was op doping, hem bij voorbaat alle rechten én plichten zouden zijn ontnomen, omdat zowel hij als zijn sportorganisatie de verklaring niet ondertekende. Wanneer een Nederlander zou zijn betrapt, zou hij zijn gestraft en had waarschijnlijk niemand van het NOC geweten dat er procedurefouten in het geding zijn.

Tijdens de bijeenkomst in Zeist opperden de ex-hockey-internationals en juristen Paul Litjens en Heiko van Staveren dat zij in het verleden wel degelijk een inschrijfformulier hadden getekend voor de Spelen. Zij gaven toe niet te hebben geweten of ze zich daarmee accoord hadden verklaard met de bye-law van artikel 48 van de Medical Code. Dat was nu juist wat Giltay Veth wilde accentueren. De internationale sportorganisaties maken op eigen gezag reglementen, maar vergeten daarbij de mensen waar het om gaat, de sporters, de begeleiders, artsen, bondsbestuurders en eventuele juristen daarin te betrekken of daarvan - desnoods per post - op de hoogte stellen.

Ook ten aanzien van de dopingreglementen die de Europese voetbalunie hanteert bij internationale wedstrijden en toernooien, was Giltay Veth niet erg positief. Hij pleitte er bijvoorbeeld voor dat de spelers voordat zij aan een toernooi beginnen naar voorbeeld van de Olympische Spelen de voorschriften uitgereikt krijgen “in een voor hen begrijpelijke taal” en dat zij voor de ontvangst daarvan moeten tekenen. “Op tal van gebieden, ik denk aan de kwestie van mediarechten speciaal voor de Europa Cup 1, doet zich telkens weer gevoelen dat voorschriften in kleine kring in Zwitserland met de beste bedoelingen worden gerealiseerd. Maar wat zich nog wel eens wreekt is het ontbreken van inspraak van de kant van betrokkenen.” Er wordt te vaak gezegd, vindt Giltay Veth, "die jongen ondergaat die straf wel, die maakt er geen punt van'. “Maar die jongen heeft ook rechten. Daar wordt aan voorbijgegaan”.

Giltay Veth concludeerde dat hij in het kader van de dopingproblematiek aandacht wilde vragen “voor iets anders dan de correcte uitvoering van de controles. Het voortraject. Ik weet dat - zeker nu het Nederlands Centrum voor Dopingvgraagstukken er is - in ons land NOC en sportbonden veel aandacht wordt geven aan voorlichting. Maar voorlichting over doping is nog niet hetzelfde als juridische gebondenheid aan al hetgeen met dopingcontroles en doping-tuchtrecht te maken heeft. Het juridisch systeem moet sluitend zijn.”

De Vereniging voor Sport en Recht werd eind vorig jaar opgericht door juristen die zich bewegen "op het raakvlak van sport en recht', Giltay Veth, Loorbach, Van Staveren, Helmig, Kollen en Walder en telt intussen 110 leden. Door middel van lezingen en congressen wil men de kwaliteit van de rechtswetenschap in verband met de sport bevorderen.