Met Nederlands Duitslandbeeld is niets mis; De afwezigheid van ressentimenten springt in het oog; Het wordt tijd af te rekenen met cliché van anti-Duits Nederland

Sieg Heil, die Deutschen sind da, luidde enkele jaren geleden de schreeuwerige kop boven een artikel over de Nederlands-Duitse betrekkingen in het Duitse weekblad Der Spiegel. Alle cliché's over het zogenaamde anti-Duitse Nederland waren erin terug te vinden: Duitsers zouden in Nederland steeds onvriendelijk worden bejegend, voortdurend voor "mof' worden uitgemaakt en in Amsterdam zou een voorliefde bestaan voor het stelen van radio's uit Duitse auto's. Een typisch staaltje van Spiegel-journalistiek? Of had Der Spiegel ook gedeeltelijk gelijk en zijn in Nederland inderdaad bijna vijftig jaar na het einde van de oorlog nog steeds ressentimenten jegens Duitsland waarneembaar?

Siggi Weidemann, correspondent van de Süddeutsche Zeitung in Nederland, wees op 2 november op deze pagina nadrukkelijk in laatstgenoemde richting. Weidemann poneert zelfs de stelling dat Nederland zich in zijn economisch buitenlands beleid laat leiden door anti-Duitse sentimenten en verwijst daarbij naar de gang van zaken bij de overname van Fokker door Dasa. Als kroongetuige citeert hij de voormalige Duitse ambassadeur in Den Haag, Otto von der Gablenz, die onlangs op een conferentie op het verslechterende Nederlandse Duitslandbeeld had gewezen en daarbij de beschuldigende vinger in de richting van de media had geheven. Zij zouden “graag en altijd het anti-Duitse sentiment in stand houden”.

Van een correspondent van een krant als de Süddeutsche Zeitung mag men reflectie verwachten en niet het bevestigen van cliché's. Natuurlijk, wanneer men zich inspant en in de Nederlandse media speurt naar stereotype beeldvorming over Duitsland en de Duitsers is een bevestiging van de these van het "anti-Duitse' Nederland te construeren. De vraag naar de representativiteit van een dergelijk beeld is daarmee echter nog niet beantwoord. En neemt men de moeite van een zorgvuldige analyse dan is eerder sprake van een tegenovergestelde conclusie.

Overziet men allereerst het Nederlandse economisch beleid jegens Duitsland na 1945 en de meningsvorming daarover, dan springt juist de vrijwel totale afwezigheid van ressentimenten in het oog. Reeds tijdens de oorlog gaf de Nederlandse regering in ballingschap de grote geallieerde mogendheden te kennen dat het naoorlogse Duitsland economisch niet te zwaar gestraft diende te worden omdat dat de eigen wederopbouw ernstig zou schaden. Consequent pleitte Nederland dan ook in 1947 voor opname van de Westerse zones in het Marshall-plan. Bij de publieke opinie lag dat niet anders. Bij een enquête in dat zelfde jaar liet 53 procent van de ondervraagden weten "onvriendelijk' tegenover het Duitse volk te staan, terwijl 77 procent van mening was dat “Nederland evenals voor de oorlog weer veel handel met Duitschland moet gaan drijven en economisch samenwerken”. Kennelijk liet een overgrote meerderheid van de bevolking zich leiden door de nuchtere koopmansmentaliteit dat handel en vriendschap niet samen hoeven te gaan.

Niet anders was het in het midden van de jaren zeventig, toen een groot deel van de Nederlandse publieke opinie de Duitse democratie onder invloed van "Berufsverbote' en harde anti-terreurmaatregelen in de gevarenzone zag. De kritische beeldvorming op politiek gebied stond echter geheel los van de economische betrekkingen en de meningsvorming daarover. Business as usual - hoe kon het anders? - was en bleef het parool. De enige rimpeling op dit vlak kwam van Duitse zijde, toen in 1979 de toenmalige oppositieleider Helmut Kohl in een live-televisieprogramma door een Nederlands publiek nogal hard aan de tand werd gevoeld over de Duitse binnenlandse politieke ontwikkelingen. In sommige Duitse media werd vervolgens beledigd opgeroepen tot een boycot van Nederlandse landbouwprodukten. Een oproep die vanzelfsprekend snel verwaterde.

Tenslotte is één blik op de verregaande Nederlands-Duitse verstrengeling op economisch en monetair gebied voldoende om de these dat de Nederlandse economische politiek jegens Duitsland door "anti-Duitse' motieven zou zijn ingegeven naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Daarmee zij niet ontkend dat de overname van Fokker en de berichten over een eventuele verkoop van Daf-trucks aan Mercedes bij sommigen een onbehaaglijk gevoel opriepen. "Nu ook Daf in Duitse handen', luidde de kop in de Telegraaf voorbarig een aantal weken geleden op de voorpagina en bespeelde daarmee precies die gevoelige snaar. Dergelijke reacties en gevoeligheden als "anti-Duits' bestempelen, getuigt echter van weinig inzicht in de Nederlands-Duitse betrekkingen. Weidemann maakt het nog bonter wanneer hij stelt dat het voor Nederlanders “ongetwijfeld griezelig” is hun industrie “aan de vijand” te verkopen.

Alsof de Nederlandse blik over de oostgrens nog steeds primair door de bezettingsjaren zou worden bepaald. Gaat men verder terug in de tijd, naar het laatste kwart van de negentiende eeuw, dan stuit men op precies diezelfde ambivalentie tegenover Duitsland die Weidemann als anti-Duits typeert en tot de bezettingstijd herleidt. Van het moment af dat Duitsland in 1871 voor het eerst verenigd was, zich opmaakte zijn plaats "onder de zon' op te eisen en in rap tempo industrialiseerde, waren in Nederland gemengde gevoelens waarneembaar.

Enerzijds was sprake van een besef dat Nederland profiteerde van hechte betrekkingen met het economisch expanderende achterland, anderzijds de vrees voor te grote afhankelijkheid en verlies van de nationale zelfstandigheid. Het is deze tegenstelling tussen een kleine staat met geringe invloed in de internationale politiek en een grote buur met een nadrukkelijk stempel op de Europese verhoudingen die sindsdien tot het normale bilaterale spanningsveld behoort en wrijvingen voorprogrammeert. De grote mate van Nederlandse afhankelijkheid van Duitsland op economisch en politiek gebied brengt aan deze zijde van de grens een haast vanzelfsprekend lage "pijndrempel' met zich mee. Dat voor sommigen die drempel juist bij de overname van Fokker werd overschreden is niet dramatisch, maar simpelweg normaal.

Kijkt men uit deze invalshoek naar het Nederlandse Duitslandbeeld dan is er geen enkele reden om dit als "anti-Duits' te typeren. Twee voorbeelden mogen dit tot slot verduidelijken. In het Duitse verenigingsjaar 1990 reageerden de Nederlandse politiek en openbare mening opvallend nuchter op de groter wordende oosterbuur. Zeker, er waren vragen over de toekomstige Europese veiligheid en over de rol van Duitsland in de wereld van na de Koude Oorlog, maar diegenen die hun associaties de vrije loop lieten en van een "Vierde Rijk' spraken, vormden een verwaarloosbare minderheid.

Nederland kende geen "Chequers-affaire', zoals Groot-Brittannië, waar bovendien nog een minister het veld moest ruimen na een onzinnige vergelijking tussen Duitsland anno 1993 en anno 1990. Evenmin raakte Den Haag in de buitenlandse politiek het spoor bijster zoals Parijs, waar men plotseling teruggreep op lang vervlogen entente-structuren met Oosteuropese staten.

Als tweede voorbeeld mag de berichtgeving in de Nederlandse media worden genoemd over het recente geweld tegen buitenlanders in Duitsland. Het ligt voor de hand dat bij een aantal Nederlanders de beelden van het racistische geweld zwarte herinneringen oproepen aan de jaren dertig en veertig - zoals overigens in Duitsland zelf ook - en dat de reacties heftiger zijn dan wanneer zich in andere democratische landen dergelijke gewelddadigheden voordoen. Des te opvallender is het dan echter dat de bezorgde en kritische geluiden in de media doorgaans vrij zijn van simplistische historische parallellen. Wanneer in Nederland nog steeds door de focus van de jaren 1940-1945 naar Duitsland zou worden gekeken, zoals Weidemann beweert, zouden in de berichtgeving en commentaren niet de nuchtere en zakelijke analyses van thans overheersen, maar zouden schrille tonen klinken over een opnieuw in chaos verzinkende Duitse democratie.

Het wordt tijd om eens af te rekenen met het cliché van het anti-Duitse Nederland en nuchter te constateren dat zowel Nederlanders als Duitsers met voorgeprogrammeerde spanningen moeten leren leven. Dat is zinvoller dan het cultiveren, bij wie dan ook, van de bezettingstijd als bepalende factor van de Nederlands-Duitse betrekkingen.