Kweekjes

Hoe gaat het met de allochtone literatuur in Nederland? Vandaag is daarover in Amsterdam een bijeenkomst, georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor Algemene Literatuurwetenschap. Ik vind het een vreselijke term, "allochtone literatuur', omdat ik me niets kan voorstellen bij "autochtone literatuur' (de Hollandse streekroman?) en verder niet weet of het eigenlijk gaat om de geboorteplaats, de afkomst of de huidskleur van de schrijver, om de taal waarin die schrijft, om het soort mensen voor wie die schrijft, of om het onderwerp waarover hij schrijft.

Eenzelfde bezwaar geldt voor de term "Commonwealth Literature', zei Salman Rushdie ooit. We kunnen beter spreken van "migratie-literatuur', wat beter aangeeft dat het niet gaat om de schrijver of de lezer, maar om het thema van verplaatsing, van thuisloosheid, culturele confrontatie en desoriëntatie, het zoeken naar een "ver' verleden, qua ruimte en tijd, het bekijken van de traditie in het licht van de moderniteit, het terugvinden van de jeugd, het koesteren van jeugdherinneringen, van heimwee.

De migrant die schrijft staat voor een paar lastige problemen. Allereerst is er de voor de hand liggende moeilijkheid van de taal: zelfs voor Surinamers geldt dat ze een ander soort Nederlands spreken dan Nederlanders. Ze zeggen bijvoorbeeld nooit "hij is groter als ik', maar "hij is groter dan mij'. Dat is uitstekend Surinaams-Nederlands. Een "kraker' is in Suriname een voetbalsupporter, brutaliteit is "vrijpostigheid', ergens "boren' is een kortere weg nemen, en zo zijn er meer dingen die maken dat "Surinamers praten om te knuffelen', zoals Jan Blokker zei. Maar je kunt het leren, het Nederlands dat niet meteen vertedering wekt.

Een groter probleem is de herinnering. Een migrant is per definitie afgesneden van zijn jeugdervaring; zijn levensgeschiedenis is een stippellijn, met grote en kleine breuken. Hij heeft de behoefte om het verleden te romantiseren of zich ertegen af te zetten, omdat het het, ook voor hemzelf, onduidelijk blijft of zijn vertrek een triomf was of een nederlaag. Bovendien heeft de migrant een gespannen verhouding tot zijn nieuwe omgeving: hij wil erbij horen, maar er niet in opgaan, hij wil zijn bijzonderheid behouden en toch niet exotisch zijn, hij wil dankbaar zijn en hoogmoedig, hij wil zijn erkentelijkheid tonen zonder nederig te hoeven worden of zijn eergevoel prijs te geven.

En tenslotte is er het probleem dat de migrant uit de Derde wereld de "vaardigheid' mist tot zelfonderzoek, zoals Naipaul in 1975 zei tijdens een soortgelijke bijeenkomst als vandaag in Amsterdam, maar dan op Trinidad. De vraag was welke positie de Caraïbische literatuur innam in de Engelstalige wereld, en de toon was bedroefder dan had gehoeven, omdat het met de Commonwealth literature sindsdien erg goed is gegaan. Maar na een lange reeks van Bookerprize-winnaars werd het hoogtepunt helaas niet gevormd door wat iedereen verwachtte: een Nobelprijs voor de grootste schrijver van het Caraïbisch gebied, V.S. Naipaul. Die prijs ging naar Derek Walcott, wat niet zozeer een eerbetoon is aan Walcott, alswel een belediging voor Naipaul. Walcott zal een verdienstelijk dichter zijn, en hij heeft zich erg ingezet voor de multiculturele samenleving, maar een literaire prijs hoort niet overschaduwd te worden door bijzaken als het karakter of de politieke houding van de auteur. Maar dit terzijde.

Volgens Naipaul hebben de schrijvers uit het Caraïbisch gebied te kampen met een dubbele paradox: ze komen uit culturen van India, Afrika en Indonesië, waar aan zelfonderzoek niet gedaan wordt. Het zijn traditionele maatschappijen, wat betekent dat men de werkelijkheid met rituelen te lijf gaat, niet om de werkelijkheid te veranderen of naar de eigen hand te zetten, maar om die te handhaven. Men heeft in traditionele samenlevingen geen belangstelling voor het verleden, omdat verleden, heden en toekomst een onwrikbaar geheel vormen.

De tweede paradox is het kolonialisme. Het kolonialisme moderniseert en onderwerpt tegelijk, zegt Naipaul in navolging van Joseph Conrad. En het moderniserende kolonialisme kwam in het Caraïbisch gebied vrij laat op gang, eigenlijk pas na de Tweede wereldoorlog, toen de moederlanden hun oude koloniën in het Oosten hadden verloren. In de eerste paradox dus kon men het verleden niet erkennen omdat het er niet was, in de tweede paradox moest men het verleden ontkennen omdat dat door de koloniale heersers werd geëist. Het ging de kolonisator om je lichaam, niet om je geest. We kregen in de kolonie niet een nieuwe taal aangereikt om eigen gedachten te vormen, maar om opdrachten te volgen. We leerden lezen, niet schrijven. We leerden voordragen, niet dichten.

We zijn, om het zo te zeggen, "kweekjes' van het moderne Europa. Een kweekje is een kind dat door de ouders vrijwillig wordt afgestaan aan een familie, die het kind een betere toekomst kan geven - en die om kinderhulp verlegen zit. Het is een idioot toeval dat de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre juist nu een boek doet verschijnen, "Maalstroom', met daarin een prachtig verhaal over een kweekje, dat gelezen kan worden als een allegorie van de allochtone schrijver. "Flarden', heet het verhaal treffend: ""Wat zich in mijn leven heeft afgespeeld voordat ik mijn verwanten moest verlaten om overgeleverd te worden als kweekje in de stad, zet zich voort in een onderwereld van schimmen en schaduwen. Niets is er tastbaar, maar de schimmen die in mijn dromen een stil leven leiden zouden wel eens kunnen staan voor een vader, een moeder, broertjes en zusjes.''

Die toon. Ingehouden en toch indringend, licht en melodramatisch.

Het vier- of vijf-jarige meisje Hannah Miskin (""Ik heet zoals zij heten en spreek zoals zij spreken'') herinnert zich haar leven in flitsen: het geluid van de auto waarmee ze naar Paramaribo werd gebracht, de autodeur in het slot, het koude water uit de kraan. Ze had een willetje, als kind, ze weigerde zich uit te kleden om zich te wassen: "Het kostte me veel inspanning om dat willetje te breken', zegt Mevrouw Miskin, "maar let op, waar een wil is, is een weg.'

Van Mevrouw Miskin leerde ze feilloos Nederlands spreken, gezegden van Harrebomee ("Negerschap is als bloeiende vanille, hoog in de bomen van het bos; in wijde omtrek, laat de geur niemand los'), de geschiedenis van Suriname, gedichten van Van den Vondel, Speenhoff, het Nederlandse volkslied. Mevrouw bracht haar de goede smaak bij - effen jurken, zonder "negerachtige' bloemetjes of streepjes - en maakte haar een vrouw van stand, wat in Suriname wil zeggen: een vrouw uit de middenklasse van lichtere stadscreolen. ""Wij, meneer en ik, hebben je weliswaar niet verwekt, maar met schaven, veel schaven moet het me lukken een kopie van ons te maken. Niemand zal je herkennen als je daar schoon en goed verzorgd voor die primitieven staat.''

Terwijl Mevrouw Miskin haar kweekje de kleinburgerlijke fatsoensnormen bijbrengt en haar poëzie leert voordragen, richt Meneer Miskin zich op een andere taal die het opgroeiende meisje zal moeten leren beheersen: die van de, al dan niet seksuele, gedienstigheid. De taal van het lichaam, die de geest veracht ("woorden, woorden, ik kan niet tegen dat geroezemoes'), de taal die de blanke koloniale heersers gebruikten en die werd overgenomen door de mannelijke creoolse stadselite: ""Dit is de hand die je voedt. Zonder deze hand bestaan je hoofd, je buik, je ledematen en al jouw andere lichaamsdelen niet. Deze hand maakt dat je een groot meisje aan het worden bent. Kijk me aan.''

Maar die lichaamstaal van Meneer is niet Hannahs grootste zorg. Hannah accepteert haar toestand, als kweekje heeft ze het bestaan, dat haar door een ander gegeven is, te nemen zoals het komt en gaat. Al die mensen die zich verzetten en zich in duizend bochten wringen: "grootheidswaan, verspilling'.

Het enige waar het kweekje mee worstelt is de herinnering. "Er zijn twee mooie dingen in de wereld', vertelt Mevrouw haar op een keer: "herinneren en vergeten. En twee lelijke: herinneren en vergeten.'

Daarmee heeft Ellen Ombre precies gezegd waarover het vandaag in Amsterdam moet gaan. De literatuur van migranten bestaat uit flarden, onbetrouwbare flitsen uit het verleden, ongemakkelijke formuleringen van chaotische ervaringen en tegenstrijdige gevoelens. De allochtone schrijver moet zich proberen te herinneren wat zijn reisgenoten willen vergeten, en vergeten wat de anderen zich willen herinneren. Maar als er zulke verhalen als dat van Ellen Ombre worden geschreven, gaat het toch niet echt slecht met de allochtone literatuur?