JAN HENDRIK OORT (1900 - 1992); Vermaard astronoom

De grootste sterrenkundige van deze eeuw is hij genoemd. Zelf lachte hij er verlegen om. De Leidse astroom prof.dr. Jan Hendrik Oort, donderdag op 92-jarige leeftijd overleden, was een man die niet van grote woorden hield. Elf universiteiten, waaronder Oxford, Cambridge en Harvard, hebben hem een eredoctoraat verleend. “Feestelijkheidjes”, zo omschreef hij dergelijk eerbetoon. Wetenschappelijke prijzen van Nobel-kaliber heeft hij gewonnen. Hij waardeerde die vooral omdat “er bij de uitreikingen altijd veel mensen kwamen die ik aardig vond”. En grootste sterrenkundige? “Ach, als je zo oud mag worden als ik”, zei hij twee jaar geleden in een Leids tijdschrift, “krijg je veel tijd om vrij veel te doen. Als je ijverig bent tenminste, en men kan zeggen dat ik niet heb stilgezeten”.

Onder sterrenkundigen is Oort onafgebroken vermaard geweest sinds 1927. In dat jaar publiceerde hij zijn theorie over rotatie van ons melkwegstelsel, waarmee hij aantoonde dat dit stelsel tienmaal meer massa bevat dan tot dusver werd aangenomen.

Gedurende zijn loopbaan heeft hij zich vooral beziggehouden met de ontrafeling van de structuur van het heelal. Op die zoektocht stuitte hij op een uitgestrekte kometenwolk rondom het zonnestelsel, die in de literatuur is terechtgekomen als de Oort-wolk. Hij deed berekeningen over de Krabnevel en over exploderende sterren. In de jaren van zijn emeritaat hadden kometen en grote heelalstructuren, de "superclusters', zijn bijzondere aandacht, evenals - daarmee samenhangend - de Oerknal waarmee de kosmos zo'n 13 miljard jaar geleden ontstond.

Maar niet alleen zijn onderzoek bracht hem aanzien. Als lector in Leiden sinds 1930, hoogleraar sinds 1935 en directeur van de Leidse Sterrewacht van 1945 en 1970 inspireerde hij tientallen sterrenkundigen tot belangrijk wetenschappelijk werk in een klimaat dat door velen als “collegiaal en familiair” is omschreven. In deze functies, en als secretaris-generaal en president van de Internationale Astronomische Unie, heeft hij zich ingezet voor internationale samenwerking en voor de ontwikkeling van de radiotelescopie, waarmee de beoefening van de sterrenkunde een grote impuls kreeg.

Oort heeft zijn werk altijd beschouwd als “een expeditie”. Zoals op aarde de automobiel en het vliegtuig werden ontwikkeld als transportmiddel, zo hadden sterrenkundigen nieuwe middelen nodig om "sneller en verder te reizen' in het heelal. De kijkers met hun lenzen begonnen in de jaren dertig en veertig tekort te schieten om de theorieën met waarnemingen te kunnen onderbouwen.

Begin jaren veertig concludeerde Oort, onder andere op basis van een Amerikaanse studie van Bell Telephone Company over storingen in korte radiogolven, dat de ruimte ook te zien zou moeten zijn door radiogolven, met een veel groter bereik dan de optische waarnemingen. Gestimuleerd door Oort vond in 1944 de student H.C. van de Hulst (later eveneens hoogleraar in Leiden) de juiste golflengte in de vorm van de 21-centimeterlijn van waterstof. In 1951 slaagde een Leidse onderzoeksgroep erin de therorie in praktijk om te zetten. Het tijdperk van de radiosterrenkunde was definitief aangebroken, waarin Nederland een vooraanstaande positie verwierf dank zij de oprichting van Radiosterrewachten in Dwingeloo en Westerbork. Oort zette zich in als "bouwheer' van deze telescopen, zoals hij zich ook beijverde voor de oprichting van een Europese Sterrewacht op het zuidelijk halfrond die in het Chileense Andesgebergte is opgericht.

Oort, vader van drie kinderen onder wie de ex-bankier/belastinghervormer prof. C.J. Oort, was een der laatste sterrenkundigen die nog op nagenoeg alle terrein van het vak kon meepraten. Tot louter waarnemer of louter theoreticus heeft hij zich nooit willen ontwikkelen: hij geloofde in de synthese tussen "kijken en rekenen'.

Tot na zijn negentigste verjaardag kwam hij nog enkele malen per week op de Leidse Sterrewacht waar hij beschikte over een werkkamer en een secretaresse en waar hij volop met staf en studenten meepraatte over de jongste ontwikkelingen in de astronomie. Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag sprak hij in een vraaggesprek spijt uit dat hij nooit kennis zou kunnen nemen van het waarom van de Oerknal. “Maar anderzijds, als ik achterom kijk, denk ik even zo goed: het is mooi geweest, echt heel mooi.”