Inaugurele rede aan TU Eindhoven; Leering: cultuur dreigt af te glijden in consumptiedrift

EINDHOVEN, 7 NOV. Niet alleen en de architectuur, maar onze hele cultuur dreigt totaal af te glijden in een passieve consumptiedrift. Deze waarschuwing liet Jean Leering (58) gisteren horen in zijn inaugurele rede als hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de faculteit bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven.

In zijn rede getiteld "Beeldende kunst: boegbeeld of zinsbegoocheling voor de architectuur?' betoogde Leering dat onder invloed van de beeldende kunst, nu ook in de architectuur het idee de overhand dreigt te krijgen, dat het kunstwerk een autonoom verschijnsel is. Voor de architectuur betekent dit dat de aandacht verschuift van het eindresultaat (het gebouw) naar het ontwerp. Vormkwesties en ontwerpproblemen spelen de hoofdrol, zodat de functie van de architectuur - het gebruiken en bewonen - wordt veronachtzaamd. Leering sprak van een "verarming van de essentie van de architectuur tot de problematiek van het ontwerpen'. In deze ontwikkeling is voor een inbreng van opdrachtgever en gebruiker geen plaats. Hun bijdrage is louter consumptief.

Leering illustreerde zijn betoog aan de hand van het werk van de Amerikaanse architect, theoreticus en pedagoog Peter Eisenman, die architectuur beschouwt als een taal met eigen middelen en wetmatigheden. Eventuele gebruikers beschouwt Eisenman als "indringers' die moeten worden "vervreemd' van hun vooropgezette denkbeelden van wat een huis is en zou moeten zijn.

Ondanks het nogal theoretische en abstracte karakter van zijn uiteenzetting, bleek dat Leering trouw is gebleven aan zijn oude ideeën over publieksparticipatie en over de maatschappelijke functie van kunst en architectuur. Een zinsnede als "de hovaardij zich boven het gewone, praktische leven te willen stellen' sprak boekdelen. Hij betoogde op overtuigende wijze dat betekenisgeving berust bij de beschouwer, niet bij de kunstenaar of architect - en dat "autonomie' dus een illusie is.

Jean Leering was van 1964 tot 1974 directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, dat onder zijn leiding internationale faam kreeg op het gebied van de eigentijdse kunst. Leering maakte in de jaren zestig onder meer tentoonstellingen van Amerikaanse kunstenaars als Donald Judd, Robert Morris, Bruce Nauman en Christo. Het was de eerste keer dat ze in Europa exposeerden. In 1986 was Leering verantwoordelijk voor de 4e Documenta in Kassel.

Aan het eind van de jaren zestig raakte Leering steeds meer geïnteresseerd in een "verruimd cultuurbegrip' en in wat hij noemde de "collectieve creativiteit'. Hij vond dat het museum een emancipatorische functie moest hebben en wilde dat een breed publiek zou "participeren' aan de tentoonstelling. Het was de tijd van de maatschappelijke relevantie in de kunst. De meest bekende (in kunstkringen de meest beruchte) manifestatie die hij in deze geest in het Van Abbe organiseerde was de tentoonstelling "De Straat, vorm van samenleven', in 1972.

Van 1974 tot 1976 was Leering directeur van het Tropenmuseum in Amsterdam, en vanaf 1976 was hij werkzaam bij het minsterie van WVC en bij de Rijksgebouwendienst in Den Haag waar hij zich bezighield met de toepassing van de befaamde éénprocentsregeling. Tevens had hij vanaf 1976 een leeropdracht kunstgeschiedenis aan de TU van Eindhoven, die nu is omgezet in een deeltijdhoogleraarschap.