Het nieuwe verzet

Enige tijd geleden was er een televisie-opname van Van Dis, in de IJsbreker, waarin een boek van Adriaan Venema besproken werd. Een van de gasten, de Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger werd toen gevraagd wat hij dacht over wat sommigen wel eens het "oprakelen van iemands oorlogsverleden' noemden.

Enzensbergers antwoord luidde in het kort ongeveer aldus: ""We hebben in Duitsland ook dit probleem, maar we moeten naar mijn mening onderscheid maken tussen het zogenaamde Erste en Zweite Verbrechen. Met het eerste bedoel ik mensen die in de oorlog iets deden wat niet door de beugel kon, zij het nu lid worden van een abjecte organisatie of ergere dingen, waarbij je altijd moet beseffen dat dit soort dingen gebeurden in barre omstandigheden, waar we nu, achteraf, geen weet van hebben. Wellicht werd men gechanteerd, of men had eenvoudigweg honger, of angst of ik weet niet wat.

Het Zweite Verbrechen echter is wat men na de oorlog erover zegt, dus als men dan, in alle vrijheid, zonder honger of andere pressie, ineens een heel andere versie geeft van wat er in werkelijkheid heeft plaatsgevonden, zichzelf een heel andere rol toebedeelt. Dat laatste nu, dat is waar we het over hebben en dat is verwerpelijk.''

Ik geef het zo uitgebreid weer omdat het wegens plaatsgebrek uit de uitzending is gesneden. Dat gebeurde nogal eens met dingen die door gasten ""van de kant af'' gezegd werden, omdat het meestal te lang was en niet over het eigenlijke onderwerp ging.

We hebben in Nederland natuurlijk voorbeelden te over.

De geruchtmakende zaak van Bert Voeten die in zijn dagboek een boeiend verzetsverleden had, maar in werkelijkheid correspondent, lees spion, voor de Kultuurkamer was. Vlak voor de rel had zijn vrouw (in de oorlog al zijn vriendin) een rechtszaak met de filmmaatschappij die haar boek verfilmde, omdat die verfilmers, om een beetje meer sjeu aan het verhaal te geven, een korte alliantie van de hoofdpersoon (zij dus) met een Jeugdstormer hadden ingebracht, iets waarvan zij zich vol walging wenste te distantiëren.

Dan hebben we Marten Toonder die in de Telegraaf jaargang 1941 een Tom Poes-strip publiceerde onder de titel "Het geheim van de blauwe aarde' en na de oorlog een zeer anti-Duitse strip maakte, in tegenstelling tot die uit 1941, die hij "Tom Poes en de Laarzenreuzen' noemde. In 1947 meldde hij: ""Dit is de eerste opzet van een verhaal dat onder de naam "Tom Poes en het geheim van de blauwe aarde' in 1941 in het dagblad de Telegraaf verscheen'', waardoor in de Tom Poes-industrie jarenlang de gedachte post had gevat dat deze anti-Duitse strip in 1941 verschenen was. De pas verschenen auto-biografie van Toonder loopt wijselijk maar tot 1939.

(Er is overigens duidelijk iets met strips. Leon Degrelle, de bij verstek ter dood veroordeelde Belgische Verbrecher staat zich er op voor dat hij model heeft gestaan voor... Kuifje.)

We hebben Cor de Groot, die niet alleen voor Seyss-Inquart speelde maar ook tournees maakte door de bezette gebieden en volgens een Duits rapport ""mit uns zusammen arbeitet''. Achteraf meldde hij dat zijn stiefvader voor de Engelsen werkte en dat hij, De Groot, dus collaboreerde ""om de aandacht van deze af te leiden''.

Niet bekend

Anton Koolhaas recenseerde in oktober 1941 de zwaar anti-semitische film "De Eeuwige Jood' in de NRC. De recensie was zeer positief en ook andere Duitse propagandafilms kregen van Koolhaas een pluimpje. Na de oorlog verklaarde hij dat hij zich in die periode bedreigd voelde omdat hij bij de Geheime Dienst Nederland zat. Ongelukkigerwijs werd de bedoelde Geheime Dienst Nederland pas in 1943 opgericht.

Nu Adriaan Venema verklaard heeft niet meer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven zullen er wel weer meer nieuwe verzetshelden opstaan. Ik noem nog twee komische gevallen.

A.H. Heineken laat zich in het boekje Vakwerk ontvallen dat hij, werkende voor een bierbrouwerij in Rotterdam, het aantal liters opschreef dat werd uitgeleverd aan Duitse militairen - en dat vervolgens naar Londen zond, waardoor belangrijke gegevens over troepenverplaatsingen ontstonden. NRC Handelsblad van vorige week meldt echter dat dit gegeven al is beschreven door mr. D.U. Stikker, in zijn in 1969 gepubliceerde memoires, waaruit blijkt dat Heineken werknemer was bij één van de naar schatting honderd brouwerijtjes die bier leverden. Stikker, toen voorzitter van de Stichting Centraal Brouwerij Kantoor verzamelde de cijfers en zond ze naar Londen. Hij deelde dat uiteraard niet mee aan alle toeleveranciers.

Bram van Leeuwen, nu Prince de Lignac, verklaarde dat hij die titel kreeg van het Franse verzet omdat hij - en hij geeft toe dat het ogenschijnlijk weinig om het lijf had - als jongen de kentekennummers van weermachtauto's noteerde. Hierdoor bleek het wederom mogelijk belangrijke troepenverschuivingen in West- Europa te onderkennen.

Als dat zo zou zijn ken ik verschillende prinsen in mijn directe omgeving.

Het wachten is nu op de rest van het verzet.