Excentrieke lastendruk verplettert het Nederlandse beroeps- en bedrijfsleven

Veel Nederlanders lijden, zonder het te beseffen, aan een macro-economische aandoening, de Ziekte van Baumol.

Het begint met een onstuimige zwelling van de publieke sector die, via zware belastingen, een steeds groter deel van het nationaal inkomen opslurpt, ten koste van een stagnerend en zelfs verschrompelend bedrijfsleven. Reeds in 1967 beschreef F.W. Baumol de ziekte in Zweden. Sindsdien vertonen de symptomen zich ook in andere verzorgingsstaten; het ergst in Nederland.

De zwelling van de publieke sector (als percentage van de beroepsgeschikte bevolking 15-65 jaar, zie tabel) tekent zich, door internationale vergelijking, als volgt af: Zwitserland heeft slechts vijftien procent overheid, Zweden veertig procent en Nederland een wereldrecord van niet minder dan zestig procent. Het verval van het bedrijfsleven wordt gesymboliseerd door een percentage bedrijfswerkers, dat, van Zwitserland, via Zweden tot Nederland afneemt van vijfentachtig, via zestig tot veertig procent.

Nederland vertoont, met slechts veertig procent bedrijfswerkers het kleinste en meest verouderde bedrijfsleven van West-Europa. (Daarbij moet men bedenken dat onze supranationalen, Shell, Unilever en wellicht Elsevier, die veertig procent van het beurskapitaal vormen, zich fiscaal en wat werkgelegenheid betreft, van Nederland hebben losgemaakt.

Professor Geelhoed, de hoogste economische adviseur van de regering, ziet onze buitensporige belastingen en sociale premies als de vijand van werk en welvaart.

Onze "excentrieke lastendruk' veroorzaakt "het opeten van onze eigen economie' (Account, september 1992). Het Nederlandse beroeps- en bedrijfsleven komt, blijkens OESO-gegevens, 2 à 3 miljoen banen tekort, vergeleken met Zweden en Zwitserland. De boosdoener is de lastendruk, zelfs vergeleken met Zweden.

De Zweedse fiscus was berucht door krankzinnige marginale tarieven. Schrijfster Selma Lagerlöf, filmer Ingmar Bergman alsook duizenden kleine bedrijven, werden aangeslagen voor 108 procent; het inleveren van de laatst verdiende kroon plus acht öre. Veel rationeler stond de Zweedse fiscus tegenover hoogtechnische multinationale (mijnbouw, kogellagers, electronica, auto's en defensiebedrijven). Die werden fiscaal enorm begunstigd. (The Economist, 7 maart 1988). Aldus heeft het Zweedse bedrijfsleven zich weten te handhaven op zestig procent van de beroepsbevolking, tegenover niet meer dan tien procent werklozen en arbeidsongeschikten.

De Nederlandse fiscus heeft in de jaren tachtig, door een hoge winstbelasting, door extreem progressieve tarieven op inkomsten (tot 72, soms 80 procent), alsmede inflatie-effecten, het Nederlandse bedrijfsleven noodlottig uitgemergeld. Jonge, startende bedrijven betaalden (nog steeds) in verhouding tot hun omzet tweemaal zoveel winstbelasting als grote bedrijven. Ze sneuvelden voor meer dan vijftig procent binnen vier jaar na de start. Multinationals zijn in die jaren met hun extreem zwaar belaste arbeidsintensieve, en vooral hersenintensieve activiteiten naar het buitenland uitgeweken. De kapitaalvlucht liep op tot twintig miljard gulden per jaar, de hoogste ter wereld, overeenkomend met honderdduizend hoogwaardige arbeidsplaatsen per jaar. De Nederlandse fiscus heeft in de afgelopen twintig jaar door het uitmergelen van kleine bedrijven, en het verjagen van multinationale activiteiten, ons land twee à drie miljoen hoogwaardige banen gekost, vergeleken met Zweden en Zwitserland. Dat herinnert aan de verwoesting van gelukzalig Arcadië in de twaalfde eeuw; het platbranden van dorpen en het verjagen van boeren door de keizerlijke belastinggaarders van Byzantium, zoals beschreven door de Britse historicus Runciman.

Nederlandse coalitiekabinetten staan machteloos. In de publikatie "Stroomopwaarts, de gewenste transformatie van de B.V. Nederland' (Tirion) bepleit M.G. Rost van Tonningen een formidabele doelmatigheidsverbetering, indikking en kostenbesparing bij de overheid, ten gunste van nieuwe groei en nieuwe werkgelegenheid in het bedrijfsleven. Hij onderschat echter de intrinsieke zwakte van onze traditionele coalitiekabinetten.

Nederlandse coalitiekabinetten, hoe ook samengesteld uit de daarvoor in aanmerking komende partijen, zijn bij voorbaat afhankelijk van de gigantisch uitgegroeide en oververtegenwoordigde overheidssector. Overheidsdienaren en overheidscliënten vertegenwoordigen: - zestig procent van de beroepsbevolking

- zeventig procent van de kiezers

- negentig procent van de Tweede-Kamerleden (vrijgesteld met behoud van hun ambtelijke carrière-verwachtingen; bij Buitenlandse Zaken: van derde secretaris tot ambassadeur).

Terwijl de wereldmarkten, het bedrijfsleven en overheidsfinanciën instorten, wacht het Nederlandse coalitiekabinet Lubbers-Kok, catatonisch, drie weken lang, op de laatste decimaal uit de computers van het Planbureau.

Zweden is eerder tot inkeer gekomen. Drie jaar geleden geconfronteerd met een omvangrijke demotivering (25 procent maandagochtendziekte), een gigantische kapitaalvlucht (op dat moment de hoogste ter wereld) en een keiharde devaluatie van zestig procent, gaven, na vijftig jaar, de sociaal-democraten het stokje over aan een conservatief minderheidskabinet. Carl Bildt, de conservatieve premier, besefte al spoedig dat hij aan het hoofd was komen te staan van een nationale ramp. Onlangs heeft hij de sociaal-democraten uitgenodigd toe te treden tot een boven de partijen staand nationaal kabinet, als antwoord op een niet langer te ontkennen nationale rampsituatie.

De prognose voor Nederland is zorgwekkend. Zolang zeventig procent van de kiezers van de overheid leeft, is er geen coalitiekabinet te bedenken dat de noodlottige spiraal doorbreekt; dat de lastendruk op grote en vooral kleine bedrijven halveert om binnen tien jaar, de twee à drie miljoen nieuwe bedrijfsbanen te scheppen die we zo dringend nodig hebben.

Het verontrustende in Nederland is de rust. Een ziekelijk verdringingsmechanisme neutraliseert alle externe en interne noodsignalen. Internationale waarnemers, zoals OESO en EG, waarschuwen sinds jaren dat de Nederlandse overheid, door een excessieve lastendruk op het bedrijfsleven, een neerwaartse spiraal veroorzaakt. Zwaardere lasten, minder bedrijfsbanen, meer werklozen en arbeidsongeschikten ten laste van de overheid, dus opnieuw zwaardere lasten, et cetera.

De binnenlandse kritiek is beperkt tot een handvol hoogleraren, ondernemingsadviseurs en een eenzame topambtenaar.

Nederland vervalt langs de weg van coalitiekabinetten van kwaad tot erger; van Lubbers-III tot Brinkman-I. Er is een politiek mirakel nodig. Een boven de partijen staand nationaal werkgelegenheidskabinet. Zoals in Zweden. De eerste prioriteit is een werkscheppende lastenverlaging voor het bedrijfsleven. De tweede prioriteit is een vangnet voor omlaag tuimelende overheidsdienaren en misdeelden. De derde prioriteit is een betaalbare overbruggingsfinanciering.

Bronnen: OESO, EG, nationale statistieken