EEN KLEIN, BANG MAAR BETWETERIG GIDSLAND

Zelfbeeld en wereldbeeld. Antirevolutionairen en het buitenland, 1848-1905 door R. Kuiper 316 blz., Kok 1992, f 55,- ISBN 90 242 6675 0

De geuzen van de negentiende eeuw. Abraham Kuyper en Zuid-Afrika door Chris A. J. van Koppen 320 blz., Inmerc 1992, f 49,50 ISBN 90 6611 242 5

De manoeuvreerruimte van Nederland op het vlak van de buitenlandse politiek was in de vorige eeuw gering, veel geringer zelfs nog dan nu. De militair-strategische positie was uiterst zwak, er waren nog koloniale en commerciële belangen te behartigen, en dus was Nederland gedoemd neutraal te blijven in alle internationale conflicten. Dat belette de politieke partijen niet overal een mening over te hebben en die met verve uit te dragen, zij het dat vanwege diezelfde neutraliteit de bespiegelingen vaak niet verder kwamen dan de eigen kring. In de Kamer werden ze al niet eens meer gehoord.

Het waren de gereformeerden die in hun vertogen zóveel tijd en energie staken dat hun inbreng groter was dan op grond van hun zeteltal verwacht mag worden. Desondanks is ook van hun visie de politieke relevantie niet groot geweest. De twee recente proefschriften over de gereformeerden en de buitenlandse politiek, het overzicht van R. Kuiper Zelfbeeld en wereldbeeld. Antirevolutionairen en het buitenland, 1848-1905 en de detailstudie De geuzen van de negentiende eeuw. Abraham Kuyper en Zuid-Afrika door Chris van Koppen, zijn dan ook vooral te lezen als ideeëngeschiedenis, want wat men ook riep, het maakte allemaal niets uit. Over de grote lijn van het buitenlands beleid bestond in Nederland consensus: al hadden we dan niks in de melk te brokkelen, aan het uitdragen van een morele standaard in de internationale politiek, hadden de politici en scribenten een dagtaak.

Voor de gereformeerden telde niet het resultaat maar de inspanning. De "gidslandgedachte' is een gereformeerde vinding en wortelt in de zestiende eeuwse idee het uitverkoren volk te zijn. Toentertijd kon de jonge republiek overigens nog wel op steun van het buitenland rekenen, of ten minste op sympathie. Maar in de negentiende eeuw bleken al onze buren niets anders te doen dan hun eigen belangen najagen, tot in de uithoeken van de wereld, en Nederland stond er verbouwereerd bij, zeggend dat het niet netjes was wat ze deden. Terwijl wij nog wapperden met het Verdrag van Wenen van 1813, zo ongeveer het enige houvast voor 's lands onafhankelijkheid, was dat station voor de Europese grootmachten allang gepasseerd.

Het Weense Verdrag stoelde op het volkenrecht, ""heilig recht'' zoals de protestantse voorman Groen van Prinsterer oordeelde, ruggegraat van de internationale orde en nog lang leidraad voor de gereformeerde politiek. De herschikking van Europa zou rust en stabiliteit moeten brengen, maar dat sprookje was maar van korte duur. In 1830 liep Wenen z'n eerste scheur op: de afscheiding van België verbitterde niet alleen koning Willem I maar traumatiseerde de gehele natie. Het besef van iedereen verlaten te zijn, en angstwekkend kwetsbaar bovendien, verlamde nadien de Nederlandse politiek. Groot was de angst dat ons land opgeslorpt zou worden.

HUISELIJKE RUST

De negentiende eeuw is vaak afgeschilderd als een periode van huiselijke rust, Colijn repte zelfs van ""de leeuw in zijn wieg'', maar het was angst en onzekerheid die daadkracht in de weg stond, zo blijkt weer duidelijk uit Kuipers Zelfbeeld en wereldbeeld. Zonder België en met veel gerommel in Brabant en Limburg was Nederland weer bijna terug bij af. Achter de Waterlinie lag het kernland van de oude Republiek: Holland, Zeeland en Utrecht. Daar had Willem van Oranje ""een verbond, niet met aardse vorsten, maar met de Koning der Koningen voor ons land en volk gemaakt'', en dat stramien grepen de gereformeerden aan om op verder te borduren.

Nederland was dan klein en zwak, maar moreel superieur aan alle booswichten om ons heen. Dat superioriteitsgevoel was juist in orthodox-protestantse kring goed ontwikkeld, evenals een zekere mate van paranoia. Overal zag men conspirerende jezuëten en bedreigingen, zoals van Franse kant. Dat land had een exportprodukt waar men benauwd voor was: de revolutie, vrucht van ongeloof en miskenning van de goddelijke ordening in de geschiedenis, die de grondslagen van het politieke systeem aantastte en de geesten rijp maakte voor verandering. (Het feit dat er nog steeds geen goede spoor-, weg- en waterverbindingen tussen Nederland en Vlaanderen liggen, is het gevolg van zulke francofobie: zo'n infrastructuur zou een Franse opmars naar hier maar bespoedigen.)

Frankrijk had de Republiek al zo vaak bedreigd en overvallen: in 1672 en van 1795 tot 1813; in 1830 had Frankrijk agenten uitgezonden naar Brussel om de Opstand te bewerkstelligen. Bovendien was Frankrijk rooms, en alleen al op die grond niet te vertrouwen. Engeland zou beter moeten zijn: onze Willem III was er ooit binnengehaald als beschermer van het ware geloof, maar allengs groeide het besef dat we er ook vier zee-oorlogen mee hadden uitgevochten èn dat de Britten zo laf waren Kaap de Goede Hoop in te palmen, toen wij bezet waren en ons niet konden verdedigen.

Duitsland joeg met zijn eenwording alleen maar schrik aan: met Luxemburg en Limburg als leden van de Duitse Bond vreesde Nederland de annexatie door Bismarck. Het moest voor een ijzervreter van zijn kaliber een kleinigheid zijn deze ""aanlegsteiger en moestuin'' in te lijven. Het vertrouwen in het Duitse protestantisme slonk toen bleek dat hun lutheranisme niet zulke constitutionele waarborgen inhield als het calvinisme hier. Slechts met pijn en moeite konden Lim- en Luxemburg in 1867 geneutraliseerd worden en uit de Duitse Bond stappen, bijtijds om opslokking te voorkomen.

LEDE OGEN

Nederland stond weer overal alleen voor, en in deze situatie stond Kuyper, zo blijkt uit Koppens De geuzen van de negentiende eeuw, pal voor de calvinistische burgerdeugden en zag met lede ogen aan hoezeer het land afdreef van een ideaal christelijk-fundamentalistische staat. Nee, dan de Boeren in Zuid-Afrika, die kwamen ongeveer als geroepen om Nederland te laten zien hoe het moest. De bedreiging door de Britten maakte in zijn ogen de Boeren tot de ""geuzen van de negentiende eeuw''. Ze waren voor Kuyper de gedroomde spiegel in de verte, maar ook een projectie van zijn ideaal, dat zoals zo vaak niet met de werkelijkheid overeenstemde. Zeker, de Boeren streden in de traditie van de Nederlandse cultuur, waren recht in de leer, maar ook een beetje onbehouwen en politiek veel uitgekookter dan Kuyper dacht.

Wat Nederland vanwege z'n neutraliteit niet kon, deden de Boeren: de perfiditeit van Albion voortdurend aantonen. Hun oorlogen, stichting van eigen republieken en weer knokken: het was een herneming van de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd, en wéér met de bijbel in de éne, het zwaard in de andere hand. Kuyper monopoliseerde de Boeren, maar die hadden geen zin zich voor zijn karretje te laten spannen. Hun strijd leverde zoveel krediet bij àlle Nederlandse partijen op dat ze bij wijze van spreken konden kiezen. De balkonscène van Paul Kruger op 29 februari 1884 vanaf Des Indes was geen gereformeerde enscenering: de geestdrift van de massa was algemeen en liep door alle politieke partijen en kerken heen.

Het zelfvertrouwen van de Boeren krikte het Nederlandse op, betoogt Koppen, hun daadkracht compenseerde onze gedoemde werkeloosheid. Zij waren de helden, en de steuncomités rezen als paddestoelen uit de grond, emigratieprogramma's werden ontworpen, want daar in Zuid-Afrika zou een beter Nederland ontstaan. Hun élite zou aan Kuypers hoogsteigen Vrije Universiteit studeren. Maar Kuyper identificeerde zich zodanig met de Afrikaners dat hij zich vergaloppeerde: het hele avontuur werd één grote deceptie. De Boeren hadden snel in de gaten dat ze hier speelbal waren van interne politieke strijd en lieten zich niet door Kuyper inkapselen.

LICHTEND VOORBEELD

Toen het Kuyper eindelijk lukte eerste minister te worden trad zijn kabinet - in 1901 - aan met een ""gematigd, niet uitdagend'' programma. Koningin Wilhelmina had het Kuyper ook tevoren gezegd zich niet uit te sloven voor Zuid-Afrika, gezien de politieke onhaalbaarheid. Maar het hoefde ook niet meer: het lichtend voorbeeld van de Boeren was overbodig geraakt. De gereformeerden hadden zich zelf tot een voorbeeldige bevolkingsgroep geëmancipeerd.

Kuyper hield ondertussen alleen als ""minister van buitenlandse reizen'' nog enige lol in het werk. Zijn bezoeken aan Berlijn zijn later vaak als "Deutsch-freundlich' uitgelegd, maar feit was dat Nederland aan Duitsland toen nog geen trauma's had overgehouden en dat de nieuwe eenheidsstaat een dijk was tegen een nieuw gevaar: het oprukken van de ""Slavisch-Mongoolse horden''.

Al te voetstoots is lange tijd aangenomen dat Kuyper ""altijd al'' op de Duitse hand was. Dat vooroordeel te ontzenuwen was aanleiding voor Van Koppens publikatie. De anglofiel Kuyper werd door de Britten teleurgesteld, en kwam zo uit bij Duitsland als bondgenoot.