Dossiers Inlichtingendienst mogen niet worden vernietigd

Binnenkort zal de concept-ver- nietigingslijst voor de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de Militaire Inlichtingendienst (MID) worden bekendgemaakt. Daaruit zal blijken welk regime de betrokken ministers willen toepassen voor het bewaren en vernietigen van documenten van beide diensten.

De opstelling van zo'n lijst werd noodzakelijk door de Privacy-regelingen Binnenlandse Veiligheidsdienst, Militaire Inlichtingendienst en Inlichtingendienst Buitenland - kortweg de Privacy-regeling BVD. Deze regeling kwam in juni 1988 tot stand als uitvloeisel van de kort tevoren van kracht geworden Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Artikel 16 van die wet bepaalt dat de betrokken ministers regels moeten opstellen voor de verwijdering en vernietiging van persoonsgegevens beheerd door zulke diensten.

Volgens artikel 12 van de Privacy-regeling BVD moeten persoonsgegevens die hun betekenis voor de doelstelling van de betrokken dienst hebben verloren, worden verwijderd en vervolgens vernietigd, tenzij wettelijke regels over bewaring daaraan in de weg staan. Die wettelijke regels zijn: de Archiefwet 1962 en het daarop geënte Archiefbesluit. Krachtens artikel 3 van dat besluit mag vernietiging van archiefbescheiden alleen geschieden na een advies van de Algemene Rijksarchivaris of op basis van een vernietigingslijst na advies van de Rijkscommissie voor de Archieven. De bewaring en vernietiging van persoonsgegevens door de Nederlandse geheime diensten wordt dus bepaald door enerzijds het nuttigheidscriterium van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en de Privacy-regeling BVD en anderzijds de archivalische criteria van de Archiefwet en het Archiefbesluit.

De Privacyregeling uit 1988 eiste dat de betrokken ministers binnen twee jaar zouden vastleggen gedurende welke termijn persoonsgegevens bewaard zouden blijven. Eind 1990 deelde minister Dales van Binnenlandse Zaken de Kamer daarom mee om bij de BVD berustende persoonsgegevens die niet langer relevant waren voor die dienst, te vernietigen. In principe zouden persoonsdossiers die de laatste vijf jaar geen mutaties hadden ondergaan, voor vernietiging in aanmerking komen. In 1991 besloot de minister tot het opstellen van een vernietigingslijst. De MID liet weten het voorbeeld van de BVD te zullen volgen. Intussen is de verwachting dat de vernietigingslijsten niet alleen de persoonsgegevens zullen omvatten, maar ook de onderwerpsdossiers van de diensten.

De derde belangrijke geheime dienst in Nederland, de Inlichtingendienst Buitenland (IDB), heeft nog niet laten weten wat zij met haar archieven denkt te gaan doen. Dat is opmerkelijk. Deze dienst wordt namelijk binnenkort opgeheven. De vraag wat er met de dossiers van deze straks niet meer functionerende IDB gaat gebeuren, lijkt vanuit archivalisch oogpunt belangrijker dan voor de nog steeds werkzame BVD en MID. Bovendien heeft minister D'Ancona van WVC in het mondeling overleg van de Tweede-Kamercommissies voor Binnenlandse Zaken en Welzijn en Cultuur over de vernietiging van de BVD-dossiers op 24 juni 1992 meegedeeld: “Als er archieven zijn aangelegd door de op te heffen Inlichtingendienst Buitenland, zal de minister van Algemene Zaken daarover contact opnemen met de rijksarchivaris”. Maar is dat ook gebeurd? Of worden de documenten van de IDB thans niet volgens de geëigende procedures vernietigd? Recente ervaring van ons als wetenschappelijke onderzoekers wijst in die laatste richting.

In 1991 werd ons gevraagd in mei '92 een lezing te houden over het onderwerp "Binnenlandse veiligheid en afweer naar buiten tijdens de Koude Oorlog'. Wij selecteerden daartoe een aantal in aanmerking komende casus. Een daarvan betrof de arrestatie van E.B. Reydon en L. de Jager in 1961 in Oezjgorod bij de Sovjet-Tsjechoslowaakse grens. Beiden waren, zoals Reydon nadien in diverse interviews heeft verklaard, agent voor de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID), de voorloper van de IDB.

In juni 1991 verzochten wij het ministerie van Algemene Zaken, waaronder de IDB ressorteert, inzage van materiaal over Reydon en De Jager. In eerste instantie poogde het ministerie ons met een kluitje in het riet sturen. Men scheen maar niet te begrijpen dat het ons om bescheiden van de IDB te doen was. Benadering van het hoofd van de IDB zelf, drs. K.M. Meulmeester, mocht ook niet baten. Die stuurde onze brief door naar het ministerie. En dat liet ons weten, dat het antwoord daarop niet afweek van de eerder gegeven - ontwijkende - reacties.

Daarom stelden we enige pertinente vragen. Bevond zich in het archief van het ministerie van algemene zaken of de IDB nu wel of geen materiaal betreffende Reydon en De Jager? Zo ja, werd kennisneming daarvan dan geweigerd? En passant stelden we nog de vraag of er ook bij de IDB sprake was van vernietiging van niet langer relevante archiefbescheiden.

Het antwoord van mr. R.J. Hoekstra, secretaris-generaal van Algemene zaken en belast met de coördinatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, was kort en duidelijk: “Dossiers van zaken die niet meer actueel zijn, worden vernietigd”. Dat kon voor ons onderzoek nadelig zijn. Wanneer zou het ministerie of de IDB bijvoorbeeld besluiten dat de dossiers over Reydon en De Jager niet langer actueel zijn? We wisten het niet, want in tegenstelling tot de minister van Binnenlandse Zaken had haar ambtgenoot van Algemene Zaken niet voldaan aan de verplichting om twee jaar na de totstandkoming van de Privacy-regeling BVD aan te kondigen welke termijn daarvoor zou worden gehanteerd.

Bovendien was het de vraag welke wettelijke grondslag voor vernietiging er was. Ons was noch een vernietigingslijst noch een vernietigingsadvies van de Algemene Rijksarchivaris, zoals vereist door het Archiefbesluit, bekend. We vroegen mr. Hoekstra naar die grondslag maar kregen geen antwoord. Dat kwam desgevraagd wel van de Algemene Rijksarchivaris, die ons liet weten dat hij naar aanleiding van onze vraag deze zaak op 6 december 1991 met mr. Hoekstra had besproken. In dit gesprek was volgens de Algemene Rijksarchivaris vastgesteld dat ook op IDB-bescheiden het bij een krachtens de Archiefwet 1962 bepaalde van toepassing is, terwijl tevens was geconstateerd, dat van een vernietigingslijst of een advies van de Algemene Rijksarchivaris als bedoeld in het Archiefbesluit geen sprake was. Met andere woorden: de IDB vernietigde bescheiden niet volgens de wettelijke regelingen. Van een eventuele remedie voor het euvel werd geen melding gemaakt.

Hoekstra had ons verder laten weten, dat de bescheiden van een inlichtingendienst voor buitenstaanders geheim dienden te blijven. Sinds het eerste King Kong-arrest van de afdeling rechtspraak van de Raad van State uit 1968 staat evenwel vast, dat ook inlichtingen- en veiligheidsdiensten onder de werking van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) vallen. Documenten die een historisch karakter hebben gekregen, kunnen in principe worden vrijgegeven.

Wij richtten ons daarom met een beroepschrift tot de Raad van State. Nadat Algemene Zaken door de afdeling rechtspraak was uitgenodigd ons beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen, werden wij op 19 februari 1992 op het ministerie ontvangen door mr. Hoekstra, het hoofd van de IDB drs. Meulmeester en de WOB-functionaris van het departement. Zij betoogden dat het privacy-belang van De Jager zich verzette tegen inzage van documenten over de zaak-Reydon/De Jager. Wel was het ministerie bereid concrete vragen van ons daarover op basis van IDB-materiaal te beantwoorden. Wij gingen met dat aanbod akkoord, daar de WOB aan de verzoeker geen inzagerecht maar slechts een recht op informatie biedt. Kort daarna zonden wij 29 vragen aan Algemene Zaken. De antwoorden waren weliswaar kort maar in hun beknoptheid soms onthullend. Enkele voorbeelden: Vraag: “Was er over deze opdracht contact geweest met bevriende diensten?” Antwoord: “Geen commentaar”. Vraag: “Was het gebruikelijk dat BID-agenten (zoals Reydon en De Jager) notitieboekjes bij zich hadden, waarin zij door hun verzamelde informatie noteerden? Werd er geen gebruik gemaakt van onzichtbaar schrift of soortgelijke hulpmiddelen?” Antwoord: “Bronnen bepaalden zelf op welke wijze verkregen info op adequate wijze werd overgebracht. Neen”. Vraag: “Was het een gebruikelijke procedure om meer BID-agenten (die van elkaars werkelijke identiteit niet op de hoogte waren) op hetzelfde schip aan te monsteren?” Antwoord: “Het kon uiteraard niet worden voorkomen dat een bron uit eigener beweging aanmonsterde op een schip waarop toevallig een andere BID-bron voer”.

Hieruit blijkt dat de toenmalige BID ten minste tot de arrestatie van Reydon en De Jager haar agenten maar wat liet aanmodderen. Daarna is er kennelijk iets veranderd. Vraag: “Heeft de arrestatie van Reydon en De Jager belangrijke consequenties gehad voor de modus operandi van de IDB?” Antwoord: “Ja”.

In dat verband hadden wij ook gevraagd naar een damage assessment-rapport en de strekking daarvan. Wanneer een inlichtingen- of veiligheidsdienst door één van haar agenten of medewerkers gecompromitteerd is geraakt, pleegt zij namelijk in kaart te brengen wat de tegenstander als gevolg daarvan over de eigen organisatie en werkwijze te weten is gekomen. Het antwoord op deze vraag luidde: “Er werd een damage assessment opgemaakt. Overigens geen commentaar”. Met de overige 28 antwoorden konden we leven, al was het "too little and too late'. Maar over het damage assessment-rapport wilden we meer weten. Nadere kennisneming daarvan werd echter geweigerd.

Wederom stuurden we een beroepschrift naar de Raad van State. We vroegen om een versnelde behandeling met het oog op de mogelijke tussentijdse vernietiging van de stukken. Na bijna vijf maanden ontvingen wij eind oktober een afwijzende beschikking op dit laatste verzoek. Ons motief bood "onvoldoende rechtvaardiging' van zo'n procedure. We zouden kunnen proberen een voorlopige voorziening te laten treffen om de vernietiging op te schorten.

Een verzoek daartoe hebben we inmiddels ingediend. We moeten er echter rekening mee houden dat een hopelijk positieve beschikking daarop opnieuw maanden op zich laat wachten, terwijl de vernietiging van de IDB-bescheiden voortgaat. Om dat te voorkomen moet naar onze mening de regering of het parlement er zorg voor dragen dat de niet volgens de geldende wettelijke normen verlopende vernietiging van de IDB-dossiers met onmiddellijke ingang wordt stopgezet. Zij kunnen er tevens voor zorgen dat de IDB zo spoedig mogelijk uitvoering geeft aan de verplichtingen onder de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en de Privacyregeling BVD, namelijk het vaststellen van termijnen voor bewaring, verwijdering en vernietiging van onder haar berustende gegevens. En ten slotte zou de IDB-in-opheffing op waardige wijze haar bestaan kunnen beëindigen met een archiefvernietiging krachtens het Archiefbesluit, dat wil zeggen onderworpen aan een advies van de Algemene Rijksarchivaris of de Rijkscommissie voor de Archieven.

    • Bob de Graaff
    • Cees Wiebes