DE KEIZER HAATTE ZIJN MOEDER EN HIELD VAN DE VIJAND

Wilhelm II and the Germans. A Study in Leadership door Thomas A. Kohut 331 blz., gell., Oxford University Press 1991, f 110,05 ISBN 0 19 506172 1

In 1898 en 1901 vonden er tussen Duitsland en Engeland op hoog niveau besprekingen plaats over de mogelijkheid van een alliantie. De initiatiefnemer van de onderhandelingen, de Britse minister van koloniën Joseph Chamberlain, had gehoor voor zijn ideeën gevonden bij niemand minder dan Wilhelm II, de Duitse keizer. Beiden koesterden grootse visioenen. De Engelse en Duitse volkeren waren elkaars natuurlijke bondgenoten, meenden zij. De ""verwante Angelsaksische en Teutoonse rassen de pijlers van de moderne beschaving'', waren ""voorbestemd'' tot een gezamenlijk leiderschap over de wereld.

De plannen pasten geheel in de tijdgeest, imperialistisch en doordesemd met racistische voorstellingen als die was. In de ogen van de Keizer en de minister zou met de Britten als heersers over de zee en de Duitsers als meesters op het land de wereldvrede gegarandeerd kunnen worden. ""Met zo'n alliantie'', betoogde Wilhelm II, die als neef van de Britse vorsten grote waarde aan de vriendschap tussen de twee landen hechtte, ""zou geen muis in Europa een poot kunnen bewegen zonder onze toestemming.''

De Brits-Duise alliantie kwam er niet. Daarvoor was het teveel een persoonlijk project van Chamberlain en Wilhelm II geweest. Beiden opereerden in een politiek vacuüm. Bovendien werd elke kans op een bondgenootschap in de jaren na de eeuwwisseling snel kleiner. Het wantrouwen tussen Duitsland en Engeland groeide razendsnel en culmineerde nog geen vijftien jaar in de Eerste Wereldoorlog. Zodra de wapens in november 1918 zwegen, eisten de Britten het hoofd van Wilhelm, ook al was die geen keizer meer en sleet hij zijn dagen in Nederland. ""Hang the Kaiser!'' luidde de populaire kreet tijdens de eerste na-oorlogse verkiezingen in Groot-Brittannië.

Die wraakzucht was niet geheel ongegrond. Wilhelm had met zijn impulsieve en eigengereide optreden vóór de oorlog, ondanks zijn emotionele visioen van vriendschap, een belangrijke bijdrage geleverd aan de groei van de Brits-Duitse vijandschap. De bijna hysterische wijze waarop Duitsland onder zijn aanvoering vanaf 1890 een aandeel in de wereldheerschappij had opgeëist, moest in Engeland wel als een bedreiging van de Britse hegemonie worden opgevat. Wat kon het even vage als ambitieuze Duitse voornemen "Weltpolitik' te willen voeren anders betekenen dan een aanval op de Engelse positie? En waarom was Duitsland in de laatste jaren van de negentiende eeuw begonnen met de bouw van een enorme oorlogsvloot? Die armada kon niet afgedaan worden als louter het speelgoed van de Duitse keizer, zoals zijn oom, de Engelse koning Edward VII, deed toen hij schamper opmerkte ""Let him play with his fleet''.

En toch, ondanks alles, hechtte Wilhelm II persoonlijk grote waarde aan een goede verstandhouding tussen de Duitsers en de Britten. De vraag naar het waarom van die diepgewortelde emotionele behoefte, vormt het sluitstuk van Wilhelm II and the Germans. A Study in Leadership, een studie van de Amerikaanse historicus en psycholoog Thomas Kohut. In dit boek worden vanuit "psycho-historisch' perspectief de achtergronden van Wilhelms keizerschap en vooral zijn wispelturige, op Engeland gerichte diplomatie geanalyseerd. Deze "Engelse politiek' van de keizer vormde volgens Kohut een geheel zelfstandig onderdeel van het verbijsterend incoherente buitenlandse beleid van het keizerrijk. Het was het terrein waarop Wilhelms ""persönliches Regiment'' - een keizerlijke politiek die op een hoogst merkwaardige wijze los stond van het beleid van de kanselier - het sterkst tot uitdrukking kwam.

CONTRASTERENDE BEGRIPPEN

De complexe relatie tussen Engeland en Duitsland speelde van meet af aan een belangrijke rol in het leven van Wilhelm. Als zoon van de Pruisische kroonprins Friedrich III en prinses Victoria, een dochter van koningin Victoria van Engeland, was de in 1859 geboren Wilhelm voorbestemd de vriendschap tussen het Verenigd Koninkrijk en Pruisen te symboliseren. In werkelijkheid werden Engeland en Duitsland voor Wilhelm al vroeg twee contrasterende begrippen. Dat gold zowel voor zijn persoonlijke als voor zijn daarvan nauwelijks te onderscheiden politieke leven.

Brits was de sfeer waarin hij werd opgevoed: het was de sfeer van zijn moeder. Kohut beklemtoont dat Victoria een dominante vrouw was, die haar hele leven afwijzend tegenover de Duitse omgeving bleef staan. Ze hield halsstarrig vast aan de volgens haar superieure Britse tradities en opvattingen. Duits, en aan het eind van de negentiende eeuw steeds nadrukkelijker Duits, was de natie waarin Wilhelm ooit, als opvolger van zijn vader, monarch zou zijn. Brits liberalisme en Pruisisch-Duits conservatisme botsten in zijn koninschap en in zijn persoon op elkaar. Het was geen wonder, zo betoogt Kohut, dat het Duitse conservatisme al vroeg het wapen werd waarmee Wilhelm zijn moeders juk afwierp.

Want Victoria bestierde het gezin, tot in de kleinste details. Ze vond het prachtig wanneer de kleine Wilhelm in een Brits marinepakje rondliep. Tegelijkertijd verafschuwde ze de grote belangstelling van haar zoon voor Duitse militaire uniformen. Haar kinderen zouden en moesten Brits worden grootgebracht. Ze werd daarin gesteund door haar moeder, koningin Victoria, die haar adviseerde elk teken van ""that terrible Prussian pride and ambition'' bij de kinderen te onderdrukken.

Wilhelm werd, zo beschrijft Kohut, met harde hand grootgebracht. Eerzucht en ledigheid waren uit den boze. Zelfdiscipline was het credo, al werd die hem paradoxaal genoeg van buitenaf en dus zonder succes, opgelegd. Eigenhandig selecteerde Victoria een huisleraar voor haar oudste zoon, de steil calvinistische Dr. Georg Hinzpeter, die zijn pupil inpeperde dat zijn toekomstige positie als vorst alleen dan gerechtvaardigd zou zijn, wanneer Wilhelm moreel en intellectueel superieur was aan zijn onderdanen.

Toch was Victoria niet alleen maar bazig. Haar verhouding tot Wilhelm werd evenzeer bepaald door schuldgevoelens. Die waren het gevolg van complicaties bij de geboorte van Wilhelm. Tijdens de bevalling was hij korte tijd bekneld geweest. Hij hield er een onvolgroeide, gehandicapte linkerarm aan over.

De moederlijke bezitsdrang over het kind, resultaat van haar dominante karakter en versterkt door haar schuldgevoelens enerzijds, en de ondergeschikte positie van de vader anderzijds - bij de opvoeding was Fried-rich Wilhelm in feite afwezig - leidden volgens Kohut tot een narcistische persoonlijkheidsstoornis bij Wilhelm. Het ontbrak de behaagzieke Wilhelm aan enig zelfvertrouwen. Om zijn gevoel van eigenwaarde op te vijzelen bleef hij zijn hele leven afhankelijk van de aanmoediging en instemming van anderen.

VERBIJSTEREND IMPULSIEF

Ook de politiek werd voor Wilhelm een middel om zijn emotionele balans in evenwicht te houden. Hij kon gemakkelijk benvloed worden door zijn omgeving. Tegelijkertijd kon hij tot ontsteltenis van diezelfde omgeving, verbijsterend impulsief handelen. Wilhelm II bezat, kortom, een ""slecht gentegreerde persoonlijkheid''. Gebrekkig geïntegreerd, stelt Kohut, waren vooral de Engelse en Duitse zijden van zijn identiteit.

De omarming van de Pruisisch-Duitse mores werd dus voor Wilhelm de route waarlangs hij aan de druk van zijn moeder trachtte te ontsnappen. In 1877, op zijn achttiende, ging Wilhelm in dienst. Dit gebeurde op last van zijn grootvader, keizer Wilhelm I, die de protesten van zijn schoondochter negeerde. Een Hohenzollern was een militair en een krijgsheer, iets anders was ondenkbaar. Wilhelm werd officier in het Eerste Garderegiment te Potsdam. Hij genoot van het militaire leven, de uniformen en het ceremonieel. Tijdens zijn diensttijd constateerde hij hoe impopulair zijn ouders bij de officieren waren. Men vreesde de dag waarop Friedrich Wilhelm Keizer zou worden. Hij gold als besmet met de liberale opvattingen van zijn Engelse vrouw. Ernstiger nog dan dit politieke probleem, dat in regeringskringen rond Bismarck inderdaad zorg wekte, was het feit dat de kroonprins sowieso onder de plak van zijn vrouw zat. Friedrich Wilhelm stond bekend als een "Weiberknecht', bepaald geen aanbeveling in het patriarchale Duitsland van de negentiende eeuw.

Wilhelm conformeerde zich aan het standpunt van zijn militaire omgeving. Hij veroordeelde zijn zwakke vader en identificeerde zich met zijn grootvader, de keizer, en ook, tot ontzetting van Victoria, met de gehate Bismarck. De kanselier werd gedurende de jaren tachtig Wilhelms politieke mentor.

Het protest tegen zijn ouders en de identificatie met de werkelijk machtigen in het keizerrijk vloeiden volgens Kohut voort uit Wilhelms wens ""een echte Pruisische man'' te worden. In een periode waarin de internationale der vorstenhuizen geleidelijk plaats maakte voor nationale dynastieën, presenteerde Wilhelm zich uitdrukkelijk als een Pruisische prins en vanaf 1888 als de Duitse keizer. Het lukte hem echter niet de Britse kant van zijn persoonlijkheid volledig te onderdrukken.

Dat hij die Engelse identiteit niet afgelegd had - niet kon afleggen - bleek bijvoorbeeld uit het behaaglijke gevoel dat hem bij vrijwel ieder bezoek aan Engeland overviel. Engeland was "home' voor hem; paradoxaal genoeg kende hij alleen daar een "Heimat'-gevoel. Kohut benadrukt hoe bij zulke gelegenheden de spanning tussen het persoonlijke en het politieke in het leven van Wilhelm tot volle wasdom kwam. Terwijl Wilhelm II zichzelf Duits èn Brits voelde, kwam hij als Duitse keizer in een periode van nationalistische rivaliteit onvermijdelijk in aanvaring met Engeland.

EMOTIONEEL INSTABIEL

Juist van het oppermachtige Engeland - en daarmee onbewust van zijn moeder - verlangde de emotioneel instabiele Wilhelm erkenning. Erkenning ook van de positie van het Duitse keizerrijk, een mogendheid die twintig jaar na de eenwording in 1870, zo meende men, het recht en de plicht had te participeren in de heerschappij over de wereld. Door het ene moment vriendschapsverklaringen af te geven en het volgende moment dreigende taal uit te slaan in de richting van Engeland, probeerde Wilhelm dat grote doel te bereiken, acceptatie door de Britten als een gelijkwaardige partner.

Het waren volgens Kohut dan ook deze emotionele drijfveren, die het enthousiasme van de keizer verklaren voor het voorstel van Joseph Chamberlain een Angelsaksisch-Teutoons bondgenootschap te sluiten. Met één meesterlijke diplomatieke manoeuvre zou Wilhelm II de imperialistische ambities van zijn onderdanen verwezenlijken en tegelijkertijd, onbewust, de integratie van de Britse en Duitse zijden van zijn persoonlijkheid bewerkstelligen. De werkelijke inzet van de persoonlijke diplomatie van de keizer was emotioneel evenwicht.

Gevoelsmatig was volgens Kohut ook het vage ideaal "Weltpolitik' te willen bedrijven. In de bestaande literatuur over het Wilhelminische keizerrijk wordt de "Weltpolitik' van Wilhelm II veelal tegenover de "Realpolitik' van Bismarck geplaatst, maar volgens Thomas Kohut vond er in 1890, met het ontslag van de kanselier, in werkelijkheid een overgang plaats van de "Realpolitik' naar een "Gefühlspolitik', een term die reeds onder tijdgenoten opgeld deed. De "Weltpolitik' was overigens tot op zekere hoogte een onderdeel van die "Gefühlspolitik'. Doel namelijk was niet op de eerste plaats de annexatie van overzeese gebieden, maar het verkrijgen van erkenning voor de grootheid van het Duitse keizerrijk. "Mitsprachrecht', "Weltgeltung', "Gleichberechtigung' en "Anerkennung', het laatste vooral door de Britten, dat bleven de prestigieuze oogmerken van de Duitse politiek. Wilhelm II wilde de Engelsen tot vriendschap dwingen.

SYMBOLISCH LEIDERSCHAP

Tot de "Gefühlspolitik' behoorde ook de wijze waarop Wilhelm II lange tijd met succes zijn Duitsers representeerde. Aan dit onderwerp, volgens de titel van het boek het eigenlijke studieobject, besteedt Kohut overigens veel minder ruimte dan aan de Engelse politiek van de keizer. Wat dat betreft, is het duidelijk dat Wilhelm II and the Germans begonnen werd als een onderzoek naar de psychologische dimensies van Wilhelms Britse diplomatie. Het leiderschap van de keizer, stelt Kohut, was in hoge mate symbolisch. Opnieuw vormde dat een contrast met Bismarcks regeerstijl. De kern van diens uitgesproken politieke leiderschap bestond uit het tegen elkaar uitspelen van de vele belangengroepen in Duitsland. Wilhelms leiderschap bestond in essentie uit het bedekken van deze belangentegenstellingen met een emotionele consensus. Als geen ander trachtte de keizer de nationale eenheid te symboliseren.

Hier werd Wilhelm II het spiegelbeeld van de natie. Hij nam verschillende "rollen' aan. Zoals de Portugese diplomaat Eca de Queiroz in 1891 opmerkte, poseerde de keizer afwisselend als "Soldaat-Koning', "Koning-Hervormer', "Ridder-Koning', "Absolute Vorst' en "Moderne Koning'. Veelbetekenend ontbrak het aan een koninklijke rol van de arbeidersklasse. In ieder geval vond de nationalistische burgerij het prachtig. Zij bejubelde haar keizer en geconstateerd moet worden dat Wilhelm zijn onderdanen daar alle gelegenheid toe bood. Onvermoeibaar reisde hij door Duitsland. In 1894 was de "Reisekaiser', zoals een van zijn bijnamen luidde, zelfs tweehonderd dagen op pad in eigen land. Omgeven door militaire gardes, zelf het stralend middelpunt, liet Wilhelm II zich toejuichen. Op zulke momenten voelde hij zich in zijn leiderschap bevestigd. Niet eerder dan in dit boek werd me duidelijk hoe letterlijk het woord ""Hurra-patriotismus'' opgevat moet worden.

Voor de Duitse middenklasse werd de keizer het ultieme symbool van de natie. Talrijke burgermannen, trots op hun status als reserveofficier in de keizerlijke armee, adopteerden zijn martiale poses, uitspraken en knevel. Dit waren de burgers waarvan er één door Heinrich Mann in zijn satire Der Untertan, ten tonele werd gevoerd.

Het moet gezegd dat Thomas Kohut in dit boek een knappe poging heeft ondernomen het grillige gedrag van Wilhelm II tegenover Engeland van een coherente interpretatie te voorzien. Hoewel het betoog soms de indruk wekt dat de geschiedenis volledig bepaald wordt door de psychische predisposities waarmee de ene generatie de andere belast, zijn Kohuts verklaringen doorgaans plausibel voor die lezers die zich enigszins openstellen zijn psycho-historische uitgangspunten.

Meestal is Kohut zich bewust van de beperkte reikwijdte van zijn analysemodel. In feite kan hij alleen het operettegedrag van de keizer inzichtelijk maken. Meer dan eens suggereert hij echter dat de Duitse natie collectief met een narcistische storing behept was, identiek aan die van de keizer. Ook de natie, betoogt Kohut, had ""een slecht geïntegreerde persoonlijkheid'', verdeeld als ze was tussen centralisme en federalisme, katholieken en protestanten, Pruisisch staatsdirigisme en zuid-west Duits liberalisme, tussen een conservatief-nationalistische burgerij en een ogenschijnlijk revolutionair-socialistische arbeidersklasse.

Ook voor de natie, stelt Kohut, bestond slechts de mogelijkheid van een symbolische emotionele integratie. Wilhelm II voorzag daarin, tijdelijk. Hoe reëel de tegenstellingen in het keizerrijk van Wilhelm ook waren en hoe nuttig het ook is een nieuw perspectief te openen op deze maatschappelijke spanningen, waarvan enkele de Duitse geschiedenis in de moderne tijd zwaar hebben belast, een hele samenleving analyseren in termen ontleend aan de psychologie van het individu overtuigt niet. Kohut had zich beter tot het onderwerp kunnen beperken waar hij alles van weet en waar hij uiterst vermakelijk over schrijft: het grillige gedrag van de Duitse keizer.