DE GRUYTER

De Gruyter's Snoepje van de Week door Paul Kriele 320 blz., geïll., Bastion Oranje 1992 (postbus 11082, Den Bosch), f 39,90 ISBN 90 800521 32

In geen jaren meer aan De Gruyter gedacht, terwijl die winkels met hun onbezorgd opgetaste levensmiddelen toch zo'n vertrouwd verschijnsel in het straatbeeld vormden. Opeens waren ze weg, mèt hun snoepje van de week en hun onweerlegbare èn 10 procent èn betere waar. In 1970 overgenomen door de SHV en binnen tien jaar opgedoekt, niet met voorbedachten rade, maar omdat al heel gauw bleek dat de zaak allang ten dode opgeschreven was - geen redden meer aan, hopeloos weggeconcurreerd door Albert Heijn. Met stille trom verdwenen en geen mens die ooit meer aan De Gruyter denkt.

Behalve de mensen die er hebben gewerkt. Hun oude zeer is nog zo vers als de verse waren die De Gruyter te laat in zijn assortiment ging voeren. Sommigen willen er nog altijd niet over praten, bang als ze zijn om ""open wonden open te halen'', schrijft de Bossche journalist Paul Kriele in het voorwoord van zijn lijvige bundel De Gruyter's Snoepje van de Week. Hij bestudeerde de bedrijfsarchieven, las de personeelsbladen, zocht secundaire lectuur bij elkaar en ondervroeg niet minder dan zestig ex-employés. In zijn boek staat dan ook letterlijk àlles - het is volgepakt met lettertjes in brede en smalle kolommen op één groot-formaat-pagina, zoveel bij elkaar dat een buitenstaander als ik af en toe zelfs durft te verzuchten dat een beetje minder ook wel had gemogen.

De grote verdienste van Kriele is dat hij De Gruyter het gezicht heeft gegeven van zijn toegewijde personeelsleden. Dat gebeurt zelden of nooit, in de toch al schaars bedeelde sector van de Nederlandse bedrijfshistorie. In de meeste boeken in dit genre wordt het verhaal hoofdzakelijk verteld via de uit de notulen geciteerde beraadslagingen van directieleden en commissarissen. Hier triomfeert echter de oral history.

We horen van boodschappenbezorger Piet van Belkum, die later ober werd, maar in het café nog steeds met ""De Gruyter'' werd aangesproken. We lezen waarom directeur Paul de Gruijter zo'n afkeer had van personeelsfeesten (""zet ze vooral niet bij elkaar!''), omdat het samenbrengen van de mensen op gespannen voet zou kunnen staan met de roomse fatsoensnormen. We luisteren naar Gé van de Broek-Brinckman, die de strenge discipline op de winkeladministratie beschrijft: ""Als een van ons ongesteld was, mocht ze bij juffrouw Vromans een aspirientje gaan halen, en als het helemaal niet ging en je liever naar huis wilde, mocht je gaan. Maar...! Het loon werd per uur ingehouden.'' We horen van René Cooijmans van de reclame-afdeling dat het werken bij De Gruyter van de ene generatie overging op de volgende: ""Boven mijn wiegje hing geen kruisje, maar een kassabon van De Gruyter.'' We zien hoe staffunctionaris Henk Woerdman bij de produktie van chocolade-paashaasjes moeite had het broekje op de goede plaats te krijgen: ""De ene keer zat het broekje van de paashaas te hoog, dan weer te laag, wat natuurlijk tot de nodige hilariteit leidde.'' En we leven mee als rayonleider Cees Blom vertelt hoe ze op de kostprijsafdeling een keer een dubbel belegde boterham met groene zeep in de bureaula van Gerritje van de Pas hadden gelegd (""Toen er eenmaal poep aan de knikker kwam, wist niemand ergens van''). We begrijpen waarom Blom in het jaar van de opheffing niet in staat was oud en nieuw te vieren: ""Op de laatste dag van het jaar ben ik huilend in bed gestapt.''

Al die verhalen - en Kriele heeft er honderden verzameld - vormen evenzeer de geschiedenis van het bedrijf als de cijfers, de statistieken en de bedrijfseconomische gegevens die er óók in staan. Maar de grootste grief is dat hij er geen echt verhaal van heeft gemaakt. Dit is alleen een rommelige hoop research-materiaal, ongeordend door de drukker tot een lelijke hoop pagina's verwerkt. De interviews zijn in alfabetische volgorde in het boek gezet, met als gevolg dat de lezer voortdurend in de chronologie heen en weer wordt geslingerd en ook op zestig verschillende plaatsen te lezen krijgt waarom het tenslotte fout ging met De Gruyter: hoe lang de directie, waarin de familie tot 1960 een beslissende stem had, kortzichtig bleef vasthouden aan achterhaalde winkelformules en hoe de modernisering uiteindelijk te laat was en te voorzichtig. ""Wie er niet in gelooft, kan beter opstappen!'' luidde jarenlang de dooddoener van mijnheer Lodewijk (de Gruijter) als iemand met een te ingrijpende suggestie tot verandering kwam.

Ja, de familie heette De Gruijter. Op de winkelpuien werden de puntjes weggelaten, omdat men anders voor elk puntje in de neonbelettering een aparte transformator had moeten aanbrengen.