Colombia; De macht over het stuur

Twee weken geleden schudde in heel westelijk Colombia de grond. In de provincie Antioquia stroomde kokende modder het kuuroordje San Juan de Uraba binnen, terwijl tot in de hoofdstad Bogotà velen in paniek hun huizen verlieten. In een land waar het natuurlijke moeilijk van het bovennatuurlijke wordt onderscheiden, zal dit voorteken zijn begrepen: de vulkaan die Colombia is, is een slechte slaper.

Een jaar geleden was Colombia nog een vitrine vol beloften. Een aantal guerrillabewegingen had vrijwillig de wapens neergelegd, en maakte aanstalten het voorbeeld van de notoire factie M-19 te volgen door zichzelf om te vormen tot reguliere politieke partijen. De regering van de gematigde president César Gaviria Trujilo leek vruchtbare vredesbesprekingen te voeren met de slinkende groep onwilligen, wier idealen door het wereldwijde verval van het marxisme steeds fletser werden. De economische groeicijfers van Colombia en de schuldenpositie behoorden op dat moment tot de sterkste van het Latijns-Amerikaanse continent.

Ten slotte leek de liberale Gaviria een uitweg gevonden te hebben uit het zogeheten "narcoterrorisme', dat het staatsapparaat corrumpeerde, de bevolking murw maakte en tijdens de "drugsoorlog' van eind 1989 voor duizenden slachtoffers zorgde onder rechters, politie-functionarissen, journalisten en argeloze voorbijgangers.

Gaviria hanteerde daarbij de in Colombia nog onbewezen methode van carrot and stick. Enerzijds bracht hij de drugsmafia - handelaars in cocaïne en in toenemende mate ook heroïne - gevoelige slagen toe door steeds meer coca-fabriekjes te ontmantelen en door de termietenhoop van hun financiën stelselmatig uit te graven. Anderzijds beloofde hij strafvermindering voor narcotraficantes die zichzelf zouden overgeven en verbood het parlement, ondanks felle Amerikaanse protesten, dat Colombiaanse drugsbandieten voortaan nog aan andere landen zouden worden uitgeleverd.

Tastbaar resultaat van die politiek was de overgave van Pablo Escobar, de leider van het machtige cocaïne-kartel van Medellin, die vanaf juni 1991 in een speciaal voor hem ingerichte gevangenis verbleef in afwachting van zijn rechtszaak.

Maar de rust die daarna intrad was bedrieglijk. Op 22 juli van dit jaar nam "Pablito' de vlucht, en hoewel de geruchten over een nieuwe "voorwaardelijke overgave' aanhielden, liet hij deze week bij monde van zijn oude moeder weten zulks niet van plan te zijn.

Escobar is een wandelende landmijn voor Gaviria en zijn hervormingsgezinde liberale regering. Weliswaar wist hij op het nippertje te vermijden zelf verantwoordelijk gesteld te worden voor de lakse veiligheidsmaatregelen in de “bombonnière” waarin Escobar gevangen werd gehouden, maar zijn populariteit taant en het nog lopende parlementaire onderzoek zal zo goed als zeker een aantal koppen laten rollen, waaronder die van zijn minister van defensie, de eerste burger in die functie.

Hoe langer Escobar op vrije voeten is, hoe precairder Gaviria's positie wordt. Want het drugsgeweld is sinds juli weer begonnen, begeleid door de roep om "harde maatregelen' en een politieke koers die Gaviria's sociale en economische hervormingen teniet zou kunnen doen. Afgelopen week werden in Medellin bij aanslagen zeventien gemeentelijke politieagenten gedood en raakten tientallen mensen gewond. De verklaringen lopen uiteen. Sommigen houden het op wraak voor de dood van Brances Muñoz Mosquera, alias "Tyson', Escobars belangrijkste huurmoordenaar, die vorige week door de Colombiaanse veiligheidsdienst uit de weg werd geruimd. Anderen - de optimisten - menen dat Escobar met de executies de voorwaarden voor zijn definitieve overgave zou willen dicteren. En weer anderen houden het op een revival van het bloedige oog-om-oog tussen Escobar en het rivaliserende Cali-kartel, dan wel tussen Escobar en voormalige getrouwen binnen het Medellin-kartel, die tijdens zijn afwezigheid de macht gegrepen zouden hebben.

Naast de escalerende strijd tegen de drugs-syndicaten moet Gaviria bovendien het hoofd bieden aan een "tweede front': de preciezen van de communistische facties FARC en ELN hebben duidelijk gemaakt niet langer te willen onderhandelen over vrede en openden vorige maand het offensief met een reeks aanslagen op militaire installaties, pijpleidingen en raffinaderijen, en door het gijzelen van zakenlieden en rijke boeren.

Sommige waarnemers hielden het op de laatste stuiptrekking van een hersendode club. Anderen zagen hierin juist een nieuw teken van vitaliteit, temeer daar er verse aanwijzingen bestaan dat de FARC een sleutelrol zou vervullen bij de opleiding van terroristen uit andere Latijns-Amerikaanse landen.

Conservatieven en militaire fanatiekelingen luiden eensgezind de noodklok. Dat deed deze week ook de invloedrijke federatie van grootgrondbezitters, die Gaviria gedoogsteun verleent. In zijn bijzijn eisten de rancheros dat de regering zijn apaiserende houding tegenover de opstandelingen laat varen en het leger massaal inzet. “Red Colombia, meneer de president!”, aldus de voorzitter van de hereboeren.

Daartoe moet Gaviria voorlopig nog een zeer slap koord bewandelen. Zo heeft hij het leger versterkt met duizenden parate manschappen om de oude plagen te beteugelen, maar daarmee begeeft hij zich op het hellend vlak dat naar een permanente staat van beleg voert. Zowel politiek als economisch is dat wel het laatste dat hij zich kan veroorloven.