Woorden uit de computer

In de boekhandel stond ik achter twee moderne jonge intellectuelen te wachten tot ik op de plank kon kijken die ze versperd hielden. Hoe wist ik dat ze moderne jonge intellectuelen waren? Omdat ze heel hard praatten. Het afluisteren van ouderwetse oude intellectuelen is veel moeilijker. Deze twee bespraken een boek dat ze uit de kast hadden gehaald. Hoe dik is het, zei de ene. Zeshonderdtwaalf pagina's, ze de andere. Ja! Wat wil je! zei de ene weer terwijl hij zijn schouders ophaalde. Tekstverwerker!

Na een jaar of vijf is in New York het meningsverschil over de tekstverwerker of computer voor schrijvers van romans en verhalen weer opgelaaid. Indertijd was er de partij van de zegen en de partij van de vloek. De eerste kon na de nieuwe machine een paar keer te hebben aangeraakt niet meer zonder. De andere bleef het oude gereedschap trouw en verdedigde zich daarbij met allerlei bijgelovigheden. In Nederland was Kees van Kooten een vooraanstaand lid van de partij van de zegen; Jacques Gans is de voorloper van de partij van de vloek. Zoals het met alle nieuwigheden gaat: men raakt eraan gewend en zo evolueerde ook dit meningsverschil tot modieus gekissebis waarna het vervaagde.

Maar opeens is het weer opgelaaid. Zijn woorden uit de computer minder perfect? luidt de titel van een artikel in de onderwijsbijlage in de New York Times van deze week. Er wordt dan een onderzoek geciteerd van een hoogleraar in de Engelse taal- en letterkunde die het volgende heeft ontdekt. Een aantal van haar studenten schreef op een "gebruiksvriendelijke' computer; de rest had een moeilijker apparaat. Na verloop van tijd bleek dat de studenten van de vriendelijke computer verhoudingsgewijs "triviaal werk' afleverden. Interpunctie, spelling en grammatica, 't was allemaal knudde. Degenen die het moeilijk gereedschap hanteerden, bereikten een hoger gemiddelde; ze hielden meer rekening met de nuance.

In het artikel wordt dan nog Russell Baker, de columnist van dezelfde krant geciteerd, uit het eerste stukje dat hij zeven jaar geleden op zijn eerste computer schreef: “Het is zo gemakkelijk, een kind doet de was - moet je horen mensen - ik heb daarnet de startknop ingedrukt en ik ben bij wijze van spreken nog geen seconde aan het schrijven, en daar gaat het me toch opeens van een leien dakje, de zinnen komen er gewoon vanzelf uit, het gaat maar door van klikklakklik, ik heb helemaal geen zin meer om op te houden, want zo is het toch: want als je ergens een punt achter hebt gezet, bij het schrijven dan, betekent het dat je met een nieuwe zin moet beginnen en daarvoor moet je weer een ideetje hebben, ja toch?”

Russell Baker is een groot columnist; een man die van alle levende Amerikanen de mooiste, meest verrassende zinnen maakt. Ik kan me voorstellen dat hij dit heeft geschreven, want een computer, gebruikt als tekstverwerker, is een verleiding om met een schijn van virtuositeit maar wat aan te rommelen. Het is de stuurbekrachtiging van je hersenen; of heeft hetzelfde effect als alcohol wanneer je Frans spreekt. Zonder me bij de partij van de zegen of die van de vloek te willen scharen, zeg ik er dit van:

Harry Mulisch heeft schrijven vergeleken met stratenmaken: de schrijver kruipt achteruit en tikt de stenen tot rijen in de grond, rij na rij, zin na zin, en zo ontstaat het boek. Iedereen heeft zijn eigen vergelijking. Ik zie de schrijver als een zich langzaam door de duisternis voortbewegende machine. De kop is uitgerust met tentakels. Die wijzen de weg naar het voedsel waarvan in het binnenste zinnen worden gemaakt die er van achteren uitkomen. De tentakels werken niet feilloos, leiden de machine soms op zijwegen waar het verkeerde voedsel wordt afgegraasd zodat er verkeerde zinnen verschijnen die met elkaar een dwaalspoor trekken. De schrijver die boft, heeft dat bijtijds gemerkt. Gebeurt dat niet, dan ontstaat er een verkeerd boek.

Schrijf je met je pen of een tikmachine dan zit er maar één ding op: het papier in de prullenbak, of, als er nog iets opstaat dat wel deugt, je in een ingewikkeld systeem van verbeteringen en inpassen te begeven. De computer heeft nu één verrukkelijke toets: delete. Zet je de cursor op de plaats waar de ontsporing is begonnen en druk je op delete, dan wordt alles wat verkeerd is verslonden door het niets dat in de computer zit.

Maar we mogen niet generaliseren, zeker niet bij iets zo strikt individueels als het schrijverschap. Voor de linkshandige timmerman is er al ander gereedschap. Zo zijn er combinaties van talenten en karakters die beter af zijn met de tekstverwerker en andere die het best tot hun recht komen als ze hun ganzeveer in de inkt hebben gedoopt.

De computer is het best voor schrijvers bij wie een hoge graad van achterdocht tegen het eigen werk gepaard gaat met dezelfde mate van volharding. De onfeilbaren schrijven met inkt. De middelen zeggen niets over het talent.