Wie aanvalt bezeert zich; Novelle van Julian Barnes over de erfenis van het communisme

Julian Barnes: The Porcupine. Uitg. Jonathan Cape, 138 blz. Prijs ƒ 33,65. De Nederlandse vertaling verschijnt februari 1993 bij uitgeverij Atlas.

Als Julian Barnes iets duidelijk maakte met zijn vorige roman (Talking It Over, zojuist in vertaling verschenen als Trioloog), was het dat zijn schrijverschap gevaar liep. In dat boek offerde hij het thema dat zijn werk tot dan toe had beheerst, de ongrijpbaarheid van de menselijke hartstocht, op aan schaamteloos effectbejag. De liefdesdriehoek die hij door middel van een aantal monologen gestalte gaf, liet hij zonder pardon wegvagen door een lawine van quasi-cynische kostschoolhumor. Op geen enkele manier vergrootten de grappen in Talking It Over de tragiek van zijn personages, integendeel, ze keerden zich keihard tegen hen. Het leek alsof Barnes niet eens zijn best had gedaan om leed en leedvermaak samen te laten gaan.

The Porcupine is een ander verhaal. In deze novelle, die volgens de flap eerst in het Bulgaars verscheen, waagt Barnes zich niet langer aan de vormexperimenten die hem in Engeland de reputatie van een leesbare postmodernist hebben gegeven; ook probeert hij dit keer niet iedere zin de stilistische brille mee te geven, die in zijn andere werk zo vaak leidde tot briljante oppervlakkigheid. Het gegeven is zowel eenvoudig als ernstig: in een voormalig oostblokland (dat naamloos blijft, maar in veel opzichten de Bulgaarse werkelijkheid weerspiegelt) wordt na de val van het communisme de partijleider Stoyo Petkanov voor de rechtbank gesleept. Het is aan de openbare aanklager, Peter Solinsky, om recht te eisen en de geesten van het communistische verleden te bezweren.

Maar Petkanov is geen meegaande zondebok; standvastig wijst hij op de oprechtheid van zijn idealen en in de rechtzaal blijkt dat al zijn daden de instemming van talloze anderen - partijbesturen, legerofficieren, het volk - hebben gehad. Zijn daden waren gerechtvaardigd, houdt hij vol, volgens de wetten van het systeem, een systeem waarvan hij het bestaansrecht tot op heden niet betwijfelt. Bovendien confronteert hij de openbare aanklager tergend met de economische en bestuurlijke chaos waarin het land verkeert: de voedselopstanden, de buitenlandse schulden, de burgerlijke ongehoorzaamheid, de economische roofbouw van het Westen. Om tot een gerechtelijke veroordeling te kunnen komen, is de aanklager Solinsky op zijn beurt gedwongen tot het zoeken naar kleine daden waarmee Petkanov zijn eigen wetten ontdoken zou hebben; alledaags gesjoemel dat zich op geen enkele manier verhoudt tot de misdaad van veertig jaar communistisch bewind.

Petkanov is het stekelvarken uit de titel. Hij verdedigt zich door zich op te rollen en wie hem aanvalt, bezeert uiteindelijk zichzelf. Zijn laatste verdedigingsrede bestaat bijna geheel uit het opsommen van de onderscheidingen en eerbewijzen die hij uit vrijwel alle landen ter wereld heeft ontvangen. “The real charge, which we all know, is that I am a Socialist and a Communist, and that I am proud to be a Socialist and a Communist.”

Om de zaak van het volk te winnen hanteert Solinsky eenzelfde methode als die waarvan hij de partijleider beschuldigt. Hij vervangt bewijzen door insinuaties, aanwijzingen door ongeoorloofde beschuldigingen: Petkanov zou zijn eigen dochter wegens staatsvijandige activiteiten hebben laten vermoorden. Solinsky bereikt zijn doel - Petkanov wordt veroordeeld, net als de Bulgaarse partijleider Zjivkov in het werkelijke Bulgarije - maar zijn handen zijn niet langer schoon.

Barnes impliceert dat ze dat toch al niet waren. Solinsky is de zoon van een verbannen dissident, maar ook hij heeft in zijn jeugd vurig geloofd in de heilsverwachting van het communisme; ook heeft hij jarenlang gedweept met de dochter van Petkanov, die belangrijke functies in het systeem bekleedde. De figuur van Petkanov zelf maakt deel uit van zijn leven, of hij nu wil of niet.

Het is duidelijk wat Barnes wil zeggen: het verleden laat zich niet ontkennen. Politieke terreur kan niet meer op het conto van één man geschreven worden; het communisme laat zich niet eenvoudig veroordelen en wegverklaren door de beschuldigende vinger naar een paar partijleiders te wijzen. Het is een erfenis waarmee iedereen - ook het Westen - is opgezadeld.

In The Porcupine illustreert Barnes die waarheid met een scherpe parabel over een beklaagde en een aanklager die van rollen wisselen. Het is een strakke vertelling, waarin de ongrijpbaarheid van schuld en medeplichtigheid behendig voelbaar gemaakt wordt. Daar laat Barnes het verder bij. Hoe geleefd wordt met die waarheid, hoe zijn personages hun verscheurdheid ondergaan, laat hij achterwege; misschien omdat zijn novelle daarvoor te dicht op de huid van de tijd geschreven is, misschien ook omdat dat grote thema zijn literaire krachten te boven ging.