We hadden het recht om niet sympathiek te zijn; De oorlogsjaren van Viviane Forrester

Haar familie verliet Parijs in dertig auto's met privéchauffeurs en gingaan de Côte d'Azur wonen in landhuizen en hotels. Ze golfden, gingen teaen en winkelen - tot de razzia's al te dichtbij kwamen. In haar boek "Vanavond, na de oorlog' beschrijft Viviane Forrester haar oorlogsjaren als jong Frans-joods meisje. Ze zegt nu: “Terwijl mijn plaats in de kampen had horen te zijn, was ik met futiliteiten bezig geweest, dacht ik aan kleren, eten, flirten of wat dan ook.”

Viviane Forrester, Vanavond, na de oorlog. Uit het Frans vertaald door Edith Klapwijk. Uitg. Arena. 216 blz. Prijs ƒ 39,50

Het grachtenpand waar de Franse schrijfster Viviane Forrester verblijft tijdens haar bezoek aan Amsterdam is van eenzelfde soort als het huis, een paar honderd meter verderop, waar Anne Frank vijftig jaar geleden in haar dagboek zat te schrijven. Forrester (geboren Dreyfus) is 68 en verstaat, zoals wel meer Franse vrouwen met allure, de kunst er niet ouder uit te zien dan, zeg, vijftig. Ze schreef elf romans en een opzienbarende biografie van Vincent van Gogh, maar het moest bijna een halve eeuw duren eer ze er toe kon komen haar "Achterhuis' aan het papier toe te vertrouwen.

Vanavond, na de oorlog heet het boek waarin ze vertelt hoe ze de holocaust overleefde. De titel roept associaties op met de beroemde strofe uit Leo Vromans gedicht "Vrede': “Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen”. Maar de inhoud is aanzienijk lichtvoetiger, op het frivole af zelfs en ja, de overeenkomsten met het dagboek van Anne Frank zijn treffend. Ook Viviane was een levenslustige, fantasierijke en begaafde puber toen men haar in 1940 op onaangename wijze liet voelen dat ze joods was en ook Viviane werd volwassen onder uitzonderlijke omstandigheden.

Er is een beslissend verschil. De alledaagse gebeurtenissen, de meisjesemoties en de scherpe observaties die de 14,15-jarige Anne op de Prinsengracht in haar dagboek noteerde, ontlenen hun zeggingskracht en betekenis niet in de eerste plaats aan het talent waarmee ze zijn opgetekend. Zijn dramatische lading heeft het dagboek gekregen door de afloop van Annes verhaal: Bergen-Belsen 1944.

Viviane Forrester leeft met de gedachte dat dit ook haar lot had moeten zijn. Ze was veertien jaar oud in 1940, dochter van de schatrijke bankier Edgar Dreyfus (geen familie) die met zijn gezin en een stoet huispersoneel een kapitaal pand aan de Avenue Foch bij het Bois de Boulogne bewoonde dat ooit aan Debussy had toebehoord. Hoewel de familie noch van vaders noch van moeders zijde diepe wortels in Frankrijk had, voelde men zich honderd procent Frans. Vooral Vivianes vader maakte er een cultus van foutloos Frans te spreken en iedere taal- of grammaticafout tot vervelens toe te corrigeren. Van antisemitisme was in de kringen van de haute bourgeoisie waar de Dreyfussen toe behoorden niet merkbaar sprake. Om rechten hoefden ze zich niet te bekommeren, wel hielden ze van hun voorrechten. Zo had hun vertrek in 1940 naar Marseille in de "vrije zone' van maarschalk Pétain weinig van een vlucht: met dertig auto's, compleet met privé-chauffeurs verliet de familie in vol ornaat Parijs. En terwijl in die stad de deportaties begonnen en ook onder het Vichy-bewind de joden in toenemende mate het slachtoffer werden van razzia's, leefde het gezin Dreyfus aan de Cote d'Azur in luxe-hotels en landhuizen. Er werd golf gespeeld, uitgegaan en gewinkeld, Viviane beleefde haar eerste verliefdheden en maakte zich samen met haar twee jaar jongere zusje druk om kleren en make-up.

In 1942 leidt het gezin Dreyfuss zijn luxe-leventje in Cannes als in Nice de razzia's alarmerende vormen beginnen aan te nemen. Vivianes vader voelt zich bedreigd en begint met de voorbereidingen voor een vlucht over de Pyreneeën naar Spanje. Maar voor zijn dochter wil hij zijn angst verbergen. “We hebben misschien geen reden om ons ongerust te maken”, zegt hij. “Alleen de staatloze of sinds 1927 genaturaliseerde joden worden aangehouden, die met een accent spreken en ons onrecht aandoen.” De zestienjarige Viviane reageert ontzet: “Hij was erger dan Hitler”, schrijft ze in haar herinneringen. Ze wijken uit naar Pau en van daaruit vluchten ze over de bergen naar Spanje. Met behulp van geld en een dosis geluk overleeft het hele gezin de oorlog.

In Vanavond, na de oorlog beschrijft Forrester het leven onder het Vichy-bewind van een vervolgd en in toenemende mate opgejaagd joods gezin vanuit het perspectief van het meisje dat ze toen was. Haar herinneringen doen zo "fris' aan, niet vervormd door de schok van wat na 1945 bekend werd, dat het boek veel weg heeft van een dagboek. De schrijfster zelf denkt dat ze dit effect kon bereiken omdat ze wat er in de oorlog is gebeurd jaren lang heeft “laten slapen”. “Toen ik erover begon na te denken, waren het heldere, frisse, nog niet vervormde herinneringen.”

Uw boek is het tegendeel van dramatisch. In sommige opzichten doet het sterk denken aan het dagboek van Anne Frank.

Mensen beginnen me daar nu op te wijzen. Niet dat ik er bij het schrijven aan gedacht heb, maar het is zo. Mijn boek gaat over het leven van alledag, tegen de achtergrond van de tragedie. Alleen - zij is niet teruggekomen. Dat is ook de reden dat ik zo lang heb gewacht met dit boek. Omdat ik dacht: wij zijn niet gedeporteerd, er is niets gebeurd. En Anne Frank - het is waar. Als ik haar vroeger las, vergeleek ik mezelf met haar. We waren bijna even oud. En ik herinner me dat het zo waar was wat ze schreef. Het tragische is dat het allemaal gebeurde met mensen die niet gewend waren aan de slachtofferrol, die er niet voor gemaakt waren. Je hebt helden en heldinnen die ervoor kiezen de oorlog in te gaan. Maar wij hadden niets te kiezen.

Uw familie leek zich minder bewust te zijn van het gevaar dan de familie Frank. Kent u de film Il giardino dei Finzi-Contini van de Sica, over een puissant rijke joodse familie in Italië die dacht dat ze dank zij haar geld en positie de dans kon ontspringen?

Ja, natuurlijk. De Sica's film is adembenemend en voor mij zeer herkenbaar. Mijn ouders voelden zich compleet Frans en ze konden niet geloven dat we niet als Fransen zouden worden beschouwd en om die reden zouden worden vervolgd. Tijdens de bezetting ergerde ik me dood aan dat patriottisme. Ik werd er revolutionair van, het was allemaal zo absurd. Maar tegelijkerrijd begrepen ze wel dat ze gevaar liepen. Mijn moeder gaf ons vergif, voor als we gepakt zouden worden - wat ik weigerde. Een neef van me werd weggevoerd met zijn vrouw en zijn schoonmoeder. Mijn ouders dachten niet dat ze immuun waren, maar ze voelden zich overal boven verheven. Ze hadden werkelijk het idee dat ze tot de elite behoorden en dat was zo'n sterk gevoel dat ze niet konden begrijpen wat er gaande was. Ze waren tamelijk ontroerend en belachelijk tegelijk. Ze konden het allemaal niet bevatten, het ging buiten hen om.

U schrijft daar heel eerlijk over.

Ik wilde per se eerlijk zijn. Eerlijk over hoe ze waren: waardig maar grotesk. En zo was ik zelf ook. Het verdriet kwam later. Voor de mensen die niet zijn teruggekomen vind ik het ergste de anonimiteit, het idee dat zij gedacht hebben: ik sterf en niemand zal het ooit weten. Overleven of niet overleven: het was een kwestie van toeval. Ik beschrijf in mijn boek herhaaldelijk hoe ik net aan razzia's ben ontsnapt. Voor ons was uitgaan even gevaarlijk als thuisblijven, dus gingen we uit: teaen, winkelen, naar de film. Die ene middag dat we niet gingen theedrinken, werd de tearoom leeggehaald.

Hoewel u niet joods bent opgevoed, heeft u het in uw boek over een "joods lot', wat bedoelt u daarmee?

Ik was Frans en zo voel ik dat nog steeds. Ik wil niet zeggen dat ik nou zo verschrikkelijk blij ben dat ik Française ben, maar ik denk nooit in andere zin aan mezelf. Joods zijn is iets heel mysterieus. Maar ik heb een lot, er is een joods lot dat ik heb gedeeld. Ik hou niet van de predestinatie-gedachte, dat vind ik te gemakkelijk. Alsof je deel bent van de tragedie van je voorouders, alsof die in je bloed zit.

Toch weet ik nog heel goed dat ik bang was voor iets veel ergers dan de dood. Waar we bang voor waren, was het ondenkbare, iets gruwelijks wat we voorvoeld hebben. En toen ik eenmaal ontdekte wat dat was: mijn god! Terwijl mijn plaats daar, bij de gedeporteerden, in de kampen had horen te zijn, was ik met futiliteiten bezig geweest, dacht ik aan kleren, eten, flirten of wat dan ook. Ik was jong.

Sinds ik weet wat er gebeurd is, sinds ik de namen Auschwitz, Treblinka, Dachau ken, kan ik niet anders meer denken dan dat ik een dubbelleven heb geleid, in ieder geval een leven en een soort dood. Ik was waar ik was, maar mijn plaats was elders: in de gaskamers. Dat gevoel heb ik al die tijd gehad en ik heb het nog steeds.

Veel overlevenden blijken verteerd te worden door zulke gevoelens, maar er zijn maar weinigen die erover kunnen praten.

Zelfs met mijn zoons heb ik nooit op deze manier over de oorlog kunnen praten. Ze werden geboren in een tijd dat het weliswaar niet vergeten was, maar het leven ging door. Je was jong en je wilde graag vergeten, dat gold voor iedereen. Je sprak er niet over. Ik heb twee echtgenoten gehad en ook met andere mannen geleefd, maar ik heb mijn verhaal nog nooit aan een van hen verteld. De mannen van wie ik heb gehouden hadden zelf deelgenomen aan de oorlog en hadden het altijd over hun oorlog. Het is niet dat ik niet wilde, maar ik was altijd degene die luisterde. Vergeleken bij hun verhalen vond ik het mijne niet zo interessant: geen soldaat, geen verzetsheld, niet gedeporteerd... Maar die mannen, dat besefte ik wel, hebben niet hetzelfde doorgemaakt als ik. Ze zijn heel moedig geweest, maar daar hebben ze voor gekozen. Ze hadden iets om trots op te zijn: Fransman en vechtend voor hun land. En ik? Ik was slecht, een stinkend vod, modder, vervolgd en beledigd. Dat werd me verteld toen ik zestien was, over mezelf, m'n zusje, m'n ouders. We moesten rechtop blijven lopen terwijl we zo behandeld werden. Je moet onderduiken, je naam veranderen en je bent geen held, niemand die zegt dat je een held bent. Je bent drek. Die mannen werden gedecoreerd en geprezen, en terecht. Mij waren slechte dingen over mijzelf verteld, hun was verteld hoe goed ze waren.

U doet in uw boek ook niet veel om te vertellen hoe goed u was of uw familie. Eerder het omgekeerde.

Ja. Toen ik het schreef besefte ik: we waren niet sympathiek. Maar wat doet dat er toe? We hadden het recht om niet sympathiek te zijn. Je hoeft niet voorbeeldig te zijn om gered of niet vermoord te worden. Ik bedoel: we waren banaal, onsympathiek, soms ook heel sympathiek, niet bijzonder, niet interessant, maar dat is geen reden om vervolgd te worden. Tegelijkertijd weet ik, en wist ik ook toen al, dat we snobs waren. Ik heb het niet opgeschreven, maar de familie in Pau, die ons met gevaar voor eigen leven onderdak verleende, had een zoon van een jaar of vijf die ik later heb terug gezien. Hij is nu een belangrijke directeur van de bank. Als wij niets te bieden hadden gehad, zouden ze er niet over gepiekerd hebben om ons op te nemen. Ik was heel erg links in die tijd, ik had een hekel aan al dat geld. Maar tegelijkertijd wist ik dat het onze redding was.

Geld was geen garantie.

Natuurlijk kwamen we daar achter. We wisten welk gevaar we liepen. Geld was geen garantie om niet gepakt te worden. Het was geluk. En dat maakt het zo vreselijk. Dat maakt het leven zo betekenisloos. Het maakt dat het leven een bizar verhaal lijkt. Meestal valt er een logica te ontdekken. Hier zat geen logica in.

Hoe was het om na de oorlog in Parijs terug te keren, was er sprake van antisemitisme, zoals in Nederland?

Op een hele verborgen manier. Ik zie dat nu pas. Mijn ouders waren zeer geprivilegieerd. We werden niet geconfronteerd met antisemitische uitingen, maar misschien wilden we dat gewoon niet zien. We zaten met dat schuldgevoel, dat wij terug waren en al die anderen niet. Het was een wonder dat we leefden Daar lieten we het bij. Achteraf is het natuurlijk een schande. Alle dingen bijvoorbeeld, die van ons gestolen waren. Ik schrijf er haast niets over omdat het me toen onbelangrijk leek, maar ons huis was in bezit genomen door de Gestapo en toen we terugkwamen zat er een ministerie in. De regering heeft het jarenlang niet terug willen geven. Dat is antisemitisme. Ze verwachtten dat we niet terug zouden komen! Toen we dat onverhoopt toch deden, hadden we ons huis moeten terugkrijgen. Geen sprake van. Ze hadden ook al onze meubels afgepakt. Maar wij interpreteerden dat niet als antisemitisme.

Joden wordt altijd verweten dat ze zoveel waarde hechten aan materiële zaken, maar het interesseerde mijn ouders helemaal niets. Ze wilden absoluut geen toestand om dat huis en de meubels terwijl hun familieleden waren vergast. Nu denk ik dat ze ongelijk hadden. Ze hadden er wel een punt van moeten maken en moeten zeggen: hier met onze bezittingen en zoniet, betaal ons dan maar. Maar ze zeiden niets. Ik denk dat ze al blij waren dat ze weer werden geaccepteerd. Je bezittingen opeisen is een manier om te zeggen: Hier ben ik, jullie hebben een fout gemaakt en jullie moeten je excuses maken. Die excuses zijn nooit gekomen. Ook aan mijn neven en nichten wier ouders met behulp van de Fransen zijn gedeporteerd en vervolgens zijn vergast, zijn nooit excuses gemaakt. Ze hebben zelfs geen spijtbetuiging of deelneming ontvangen.

Afgelopen juni hebben ruim tweehonderd Franse intellectuelen een oproep gericht aan president Mitterrand om de medeverantwoordelijkheid van de Franse regering voor de deportatie van 75.000 Franse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog officieel te erkennen en om te protesteren tegen het feit dat Mitterrand jaarlijks bloemen legt bij het graf van Pétain. Hoe komt het dat dit probleem nu pas wordt aangekaart. Waarom is een discussie over de collaboratie van het Vichy-bewind zo lang taboe gebleven?

Uiteraard heb ik mijn handtekening onder die petitie gezet en toen ik daarover werd geïnterviewd door Libération heb ik ook mijn verbazing erover uitgesproken dat dit zo lang heeft moeten duren en dat we het niet eerder hebben gedaan. De reden is waarschijnlijk dat Vichy, de geest van Vichy, niet anti-Frans is. Natuurlijk heeft Frankrijk een belangrijke verzetsbeweging gehad, maar reken maar dat de overgrote meerderheid voor Pétain was.

Behoort de oorlog voor u nu tot de voltooid verleden tijd?

Door dit boek heeft de oorlog zijn plaats gekregen en is hij pas echt voorbij. Daarvoor was dat niet zo. Ik wist niet waar ik stond en welke plaats de oorlog innam. Misschien dat ik daarom nooit eerder een boek over dit onderwerp heb geschreven. Na de oorlog ben ik al snel getrouwd en ik ben pas laat, in 1970, ik was toen al 45, gedebuteerd als schrijfster. Ik heb weliswaar een roman geschreven over twee zusjes tijdens de oorlog van wie er één wordt gedeporteerd en terugkomt, maar dat was niet mjn verhaal. Dit is mijn twaalfde boek en de meeste gaan helemaal niet over de oorlog. Wel hebben recensenten erop gewezen dat in al mijn romans de namen Auschwitz, Treblinka en Dachau worden genoemd. Alleen de woorden. Ook in het boek dat tot nu toe het belangrijkste voor mij was La violence du calme, over politiek, geschiedenis en psychoanalyse roer ik mijn eigen geschiedenis niet aan. Pas nu ik dat wel heb gedaan is het voorbij en is het ook voor mij "na de oorlog'.