Vrijdag 6; Museumvirus

De kunstenaarsgroep Vitriool in Hengelo wil in deze stad een museum oprichten voor de Cobra-schilder Theo Wolvecamp.

Hij werd in Hengelo geboren en woonde daar vanaf 1954 tot zijn dood, 67 jaar oud, op 11 oktober. Zo'n vijftig schilderijen moeten de basis vormen van het toekomstige museum.

Wolvecamp, die eind jaren veertig de Experimentele Groep hielp oprichten, leidde later een teruggetrokken bestaan. Hij schilderde weerbarstiger en ingetoger dan zijn collega's Appel, Corneille, Constant, Rooskens en Brands, maar hij werd algemeen beschouwd als een vooraanstaand lid van de Cobra-groep.

Zo'n museum-initiatief als dat in Hengelo is niets bijzonders. Nederland heeft al jarenlang last van het museumvirus. Je kunt het zo gek niet verzinnen - spaarpotten, aanstekers, belastingformulieren - of er is in dit land een apart museum voor.

Ook menig schilder die door de bestaande kunstmusea terecht of ten onrechte genegeerd wordt, zoals Jopie Huisman, Anton Pieck en Rien Poortvliet, heeft zijn oeuvre in een eigen museum ondergebracht.

En dan zijn er nog de kunstverzamelaars en maecenassen die hun bezit of nalatenschap liever niet in een bestaand depot of fonds zien opgaan. Zij creëren een instelling onder eigen naam, zoals onlangs het echtpaar Van Groeningen-Hazenberg in Eelde en de zakenman Jan de Pont in Tilburg. In Eelde moet een museum voor nieuw-realistische kunst van na 1940 verrijzen en in Tilburg heeft de De Pont Stichting voor hedendaagse kunst in september dit jaar een mooi verbouwde fabriekshal als museum in gebruik genomen. Aan de traditionele particuliere verzameldrift en generositeit dankt Nederland onder meer het Teylers Museum in Haarlem, het Rijksmuseum Kröller-Müller in Otterlo, museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam en het - helaas alweer gesloten - museum Overholland in Amsterdam.

Ook diverse lagere overheden zijn al enige tijd besmet met het museumvirus. Zo gaf Amstelveen in 1988 de wens te kennen een Cobra-museum te stichten. Architect W. Quist heeft vorige week zijn eerste schetsontwerpen gepresenteerd. Hoewel het nu een museum voor moderne kunst heet, zullen op de twee verdiepingen vooral Cobra-werken tentoongesteld worden, bruiklenen uit de verzameling van zakenman Karel van Stuijvenberg. Een omvangrijke collectie die het grotendeels zonder de vroegste, vaak mooiste Cobra-stukken moet stellen, want die bevinden zich dankzij Willem Sandberg in het Stedelijk Museum in Amsterdam en in het gemeentelijk museum van Schiedam, dat zich al decennia lang op Cobra toelegt.

Het spreekt vanzelf dat de schilderijen van Wolvecamp goed zouden passen in het Stedelijk, in het museum van Schiedam of in dat nieuwe Amstelveense museum. Ze horen daar thuis, door hun historische origine en kunsthistorische verwantschap, net zoals de werken van Karel Appel, die eveneens de voorkeur heeft uitgesproken voor een eigen museum.

De vrienden van Wolvecamp denken daar jammer genoeg anders over. Of het geboortehuis van deze schilder in een monument moet veranderen en of er een standbeeld in Hengelo moet verrijzen, is een gemeentelijke aangelegenheid. Maar dat zijn oeuvre in dit kleine, met meer dan zeshonderd musea bezaaide land geïsoleerd moet worden in wéér een afzonderlijk museum, is een misplaatst eerbetoon met een nodeloos versnipperend effect.

    • Marianne Vermeijden