Te weinig, te laat, te passief, te timide; VN hebben gefaald in Angola en Somalië

NAIROBI, 6 NOV. Na enkele dagen van hevige gevechten in Luanda pakken de antagonistische partijen MPLA en Unita de draad van het vresdesproces weer op. Een ronde verder in hun ruim vijftien jaar oude machtsstrijd zullen beide partijen nu overeenstemming moeten bereiken over onder welke voorwaarden de tweede ronde van de presidentsverkiezingen wordt gehouden. De rol van de Verenigde Naties bij deze tweede ronde zal vermoedelijk doorslaggevend blijken als het gaat om de vraag of de vrede dit keer wel kan worden bewaard.

Het aanzien van de VN in Afrika heeft in de afgelopen maanden stevige deuken opgelopen. In Somalië schitterden VN-hulporganisaties maandenlang door afwezigheid, terwijl medewerkers van het Internationale Rode Kruis en andere hulpinstellingen hun leven waagden om duizenden slachtoffers te voeden. Het leek wel alsof de VN-secretaris-generaal Boutros Boutros Ghali dit falen nog eens voor het voetlicht van de media wilde brengen, toen hij onlangs zijn algemeen gerespecteerde speciale afgevaardigde voor Somalië, Mohamed Sahnoun, kritiseerde. Deze Algerijnse diplomaat had het gewaagd het lakse VN-optreden in Somalië te hekelen. Na Boutros' kritiek stapte hij op. Zelfkritiek binnen de VN wordt, zelfs wanneer het falen zo evident is, niet op prijs gesteld.

Het optreden van de VN in Angola komt op een zo mogelijk nog grotere blunder neer. Sinds het vredesakkoord in mei 1991 was duidelijk dat de VN-deelname aan het vredesproces onvoldoende was. Tussen de ondertekening van het vredesverdrag en de totstandkoming van het staakt-het-vuren tussen MPLA-regeringstroepen en Unita mochten beide partijen nog één maand doorvechten. Met grote inzet voerden ze nog enkele zinloze veldslagen, alvorens ze werkelijk "vrede' sloten. Het diepe onderlinge wantrouwen na een verbeten burgeroorlog bleek geenszins verdwenen.

De VN stuurden 350 militaire waarnemers, 90 politie-waarnemers, 91 civiele medewerkers en 107 man lokale staf naar 66 plaatsen in het land, dat zo groot is als Frankrijk, Duitsland en Spanje samen en 10 miljoen inwoners telt. Dit aantal bleek vanaf het begin geheel ontoereikend. Margaret Anstee, hoofd van de VN in Angola, klaagde: “Ik moet een Boeing 747 vliegen met een hoeveelheid brandstof die voldoende is voor een DC-3”. In Namibië waren in 1990 zesduizend VN-functionarissen bij de verkiezingen. Namibië telt anderhalf miljoen inwoners.

Angola was niet klaar voor democratische verkiezingen. Wederzijdse tolerantie ontbreekt. Jarenlang hebben MPLA en Unita elkaar als illegaal beschouwd. Dat de tegenstander nu ongehinderd campagne mocht voeren, deed pijn. Zo belandden handgranaten in menigtes bij verkiezingsbijeenkomsten en werden partijfunctionarissen gegijzeld of vermoord. De VN-waarnemers konden niet veel meer doen dan deze schending in hun opschrijfboekjes noteren.

De VN ondernamen geen actie om toch maar vooral niet de fragiele vrede te schaden. Volgens het vredesakkoord dienden alle belangrijke besluiten te worden genomen door een gemeenschappelijke politiek-militaire commissie, gevormd door Unita en MPLA. Amnesty International zag de ramp eerder dit jaar al aankomen: “Dit betekent dat iedere partij haar veto kan uitspreken tegen maatregelen die mogelijk haar politieke belangen op korte termijn kunnen schaden. Er bestaan weinig aanwijzingen dat er sprake is van een streven naar een toekomst, waarin de rechten en vrijheden van de Angolezen beschermd zullen zijn”.

Van eerlijke en vrije verkiezingscampagnes was nauwelijks sprake. Amerikaanse en Braziliaanse adviseurs vertelden Unita-leider Jonas Savimbi en MPLA-president José Eduardo dos Santos wat ze wel en niet moesten zeggen tijdens de campagnes. Gratis voedsel, bier, kleren en zelfs fietsen moesten het kiezersvolk overtuigen. Kleinere partijen, die noch over de wapens, noch over de financiën beschikten, kwamen niet aan de bak.

Dos Santos groeide in de hem aangeleerde rol als hoofd van het MPLA-verkiezingscircus. Savimbi slaagde er minder goed in zich als verantwoordelijke politicus te presenteren. Terwijl Dos Santos opriep tot kalmte, dreigde Savimbi met wraak op mestiezen, buitenlanders en het MPLA. Hij bevestigde daarmee zijn reputatie als een meedogenloze guerrilla-leider. De VN traden niet op naar aanleiding van zijn opruiende uitlatingen.

Intussen bereidden beide partijen zich voor op een nieuwe oorlog. In tegenspraak met het vredesakkoord onttrokken ze tienduizenden van hun strijders aan het demobilisatieproces. Zwaar bewapende Unita-soldaten bezetten huizen in Luanda en in andere steden. Een nieuw gecreëerde pro-MPLA-politiemacht werkte in de praktijk als een rode lap op Unita.

Margaret Anstee bleef proberen haar Boeing 747 in de lucht te houden. Heel even leek het alsof haar dat zou lukken. Alsof verdoofd door al het geweld en intimidatie gingen bedeesde, in vodden gestoken Angolezen op de puinhopen van de oorlog twee dagen lang vreedzaam naar de stembus. Zij toonden daarmee bovenal oorlogsmoe te zijn. Op de tweede verkiezingsdag braken er echter al gevechten uit in Luanda.

Geconfronteerd met het escalerende geweld nam Anstee het aanzien van een straatpredikant aan naar wie niemand luistert. Terwijl de wapens spraken riep zij op tot kalmte, tolerantie en begrip. Als de VN iets hebben bewezen in Angola, dan wel dat zij op het verloop der gebeurtenissen nauwelijks een positieve invloed hebben gehad. Het was een wonder geweest wanneer de verkiezingen wèl tot vrede hadden geleid.

De VS, die als steunpilaar van Unita een doorslaggevende rol hadden kunnen spelen, lieten eveneens effectieve druk achterwege. Berichten uit Washington deze week dat Amerika Angola alsnog tot prioriteit in het buitenlandse beleid wil maken, wijzen op een koerswijziging. Een meer actieve Amerikaanse rol, gekoppeld aan een grotere en meer imponerende aanwezigheid van de VN, kan Angola misschien alsnog behoeden voor een gewapende anarchie zoals in Somalië. Bij het nieuwe vredesproces in Angola staat het geschonden aanzien van de VN in Afrika op het spel.