Koorddansen door de geschiedenis; Miguel de Cervantes vertelt zijn eigen leven

Stephen Marlowe: Dood en leven van Miguel de Cervantes, vert. Pauline Moody. 498 blz. Uitg. De kern, Baarn. Prijs ƒ 44,50.

"Solo-seks', "Jezus-trut', en "Operatie-Weltschmerz' zijn geen woorden uit het eind van de zestiende eeuw en het woord "donquichotachtig' kan dat zelfs niet zijn want dat is aan de Quijote ontleend, die toen nog niet geschreven was. Het is voorstelbaar dat mensen van destijds die woorden precies zo gebruikt zouden hebben als ze hadden bestaan, maar ze bewust in de mond leggen van personages van vier eeuwen geleden, duidt op provocatie of op een grap.

Stephen Marlowe doet het, in zijn roman Dood en leven van Miguel de Cervantes, althans via zijn Nederlandse vertaalster, en hij doet nog veel meer dat op het randje is of er overheen gaat. Zo heet zijn boek terecht een roman, maar het is ook een biografie of eigenlijk autobiografie van Cervantes, de schrijver van de Quijote. Topografische, familiale, fysieke en geschiedkundige gegevens kloppen met die welke uit het leven van de Spanjaard bekend zijn. Maar waar bij Marlowe houdt het feit op en begint de fictie? In zijn boek over Cervantes staat veel meer dan bekend is.

Er is door Marlowe op het bekende verder gespeculeerd, de fragmentarische lijn is aangevuld tot een doorlopende. De lezer kan echter niet vergeten dat het niet om een gewone roman gaat en stelt vragen. Was het wel zo als Marlowe schrijft en hoe weet hij dat dan? Was Cervantes' moeder zo knorrig, zijn ene broer zo vaag, zijn zus de lust van zijn leven? Duidelijk is dat Marlowe vooral graag op hol slaat wanneer er seks in het geding is, bijna net zo erg als onlangs nog Bruce Duffy, die in De wereld die ik aantrof, zijn biografie van Wittgenstein, het steeds impotenter seksleven van Bertrand Russell tientallen bladzijden lang zonder aanleiding onder een zelfbedachte loep legt. Zo bont maakt Marlowe - Stephen, niet Chr. of Ph., die hij beiden wel in zijn auctoriale grappigheid opvoert - het niet, maar dat de toon eigentijds moest zijn en dus met seks gekruid, was blijkbaar voorwaarde.

Hoe stak Miguel de Cervantes' familie precies in elkaar? Hoezo dat baantje van zijn vader bij de Inquisitie, als hij toch van deels joodse afkomst was? En verliep Miguels gevangenschap in Algiers inderdaad zoals het in verkapte verhaalvorm in de Quijote staat ingelast? Er is weinig met zekerheid uit dit leven bekend: een brief, het certificaat van zuiver christen, het vastgestelde feit van zijn gevangenschap en van zijn administratieve en militaire baantjes die hij als converso - bekeerde jood of nakomeling van een bekeerde jood - wel moest nemen omdat hij niet voor erebaantjes in aanmerking kwam, ook niet toen hij beroemd genoeg was. De Quijote had hij bijna niet geschreven, want hij was toen al op leeftijd en wilde liever roem vergaren met poëzie en toneel, de modegenres van zijn tijd. Dit alles en veel meer komt bij Marlowe aan bod. Hij moet veel documentatie hebben geraadpleegd.

Marlowe laat Cervantes als "ik' zijn leven vertellen. Dat houdt in dat hij of zijn hoofdpersoon zich meet met de historische figuur Cervantes en verplicht is even geestig of goed te zijn. Marlowe durft, maar dat konden we al weten, want hij schreef eerder de memoires van Columbus. Ook andere beroemdheden belichaamt hij in zijn nieuwe boek moeiteloos, zoals Lope de Vega, die wordt afgeschilderd als een vileine baas. Het is of Marlowe de gesprekken tussen Cervantes en deze succesvoller collega van een bandje heeft overgetikt, zo levensecht zijn ze.

Hij evenaart Cervantes niet, dit vooropgesteld. De geestesvader van de Quijote is te superieur. Wel is Marlowe's boek uitgekiend, best amusant, en zonder veel anachronismen, behalve de taal en andere bewuste afwijkingen, tegen een passend decor gesitueerd. Maar naarmate het boek vordert, krijgt Dood en leven van Miguel de Cervantes vooral het karakter van een parafrase op de Quijote, in de lijnen en in de details, bij voorbeeld wanneer Marlowe's hoofdpersoon zich onder het pseudoniem Amadis van Gallië, door Don Quijote zo bewonderd, in een ingewikkeld, doldriest avontuur stort. Het bestaat ook, net als de Quijote, uit twee delen, en ook hier speelt Cide Hamete Benengeli, door Cervantes opgevoerd als de vinder van het manuscript van de Quijote, een rol als bestaand persoon. De hoofdstukken worden in beide boeken door beschrijvende titels, als in een avonturen- of ridderroman, voorafgegaan.

Dit is kolder, virtuoze kolder, koorddansen door de geschiedenis met ontmoetingen van Cervantes met Tasso of Shakespeare en de zinspeling van Cervantes op de Cervanteskenners van nu, maar toch ook dubieuze kolder. Want het blijft vervelend wanneer iemand in zijn creatieve werk zo zwaar leunt op dat van een ander, al is het een wereldberoemdheid. Een ander bezwaar geldt de verregaande genrevervaging: biografie, autobiografie, parafrase, historische roman, provocatief epigonisme, zonder wat mij betreft iets overkoepelends dat het onmiskenbaar eigene uitmaakt. Het begin - een proloog - is een regelrechte misser, want zo tof van toon, dat je geneigd bent het boek maar dicht te slaan, uit g^ene, of uit eerbied voor Cervantes. Helemaal verdwijnen doet die g^ene nergens.