Koningin treft op Antillen verbrokkelend koninkrijk aan

Koningin Beatrix heeft precies het goede moment gekozen om haar werkbezoek aan de Nederlandse Antillen en Aruba een interessante inhoud te geven. De rijksdelen verkeren in een financiële crisis en het koninkrijk dreigt te verbrokkelen door een wegkwijnende regering in Willemstad en onzekerheid over de toekomstige relaties met Nederland.

Verdeeldheid en onzekerheid over hun onderlinge staatkundige relaties en grote financiële zorgen beheersen de Nederlandse Antillen en Aruba tijdens het bezoek dat koningin Beatrix, prins Claus en hun drie zoons aan deze rijksdelen brengen. Morgen vertrekken Beatrix, Claus, kroonprins Willem-Alexander en de prinsen Johan Friso en Constantijn voor een "werkbezoek' aan alle zes de eilanden, dat zal duren tot 20 november.

Een warm welkom is verzekerd, want een van de weinige zaken waarover alle Arubanen en Antillianen het hartgrondig eens zijn is hun aanhankelijkheid aan de koningin en hun verknochtheid aan het Koninkrijk der Nederlanden. Want met de status van rijksdeel zijn Nederlandse marine-eenheden verbonden die de eilanden bescherming bieden, en is behoud van het Nederlandse paspoort en financiële en technische hulp die de Antillen bestuurlijk op de been houden, gegarandeerd.

Juist wat de bestuurlijke kwaliteit aangaat zijn er in de West diepgaande problemen. In hun verwoede poging om de economie te verstevigen door meer toeristen aan te trekken, zijn de drie grootste eilanden de afgelopen jaren veel te grote financiële verplichtingen aangegaan. Zonder nieuwe begrotingshulp kunnen ze hun financieringstekorten, opgelopen tot 168 miljoen gulden, plus een schuld van 245,5 miljoen aan het Algemeen pensioenfonds, niet meer de baas. De overheidsschulden van de Antillen en Aruba zijn tot het gigantische totaal van 2,5 miljard gulden gestegen, waardoor de rentelasten veel te hoog zijn opgelopen. De deviezenvoorraad, van groot belang omdat de eilanden bijna alle produkten voor de binnenlandse consumptie moeten importeren, zijn gevaarlijk afgenomen. Bovendien heeft de Antilliaanse regering dit jaar grote sociale spanningen afgekocht met een "inhaaloperatie' voor de ambtenarensalarissen: maar liefst 14 procent loonsverhoging.

Nederland verstrekt de Antillen en Aruba jaarlijks zo'n 280 miljoen gulden aan ontwikkelingshulp, afgezien van mogelijke garanties op leningen. Op de begroting voor volgend jaar staat daar een bedrag van 20,3 miljoen aan inkomsten uit aflossingen en rentebetaling tegenover. Voor extra begrotingshulp zijn scherpe voorwaarden gesteld: eerst moet er een concreet plan ter tafel komen voor de sanering van de overheidsuitgaven. Maar minister Hirsch Ballin (koninkrijkszaken) moest vorige week in de Tweede Kamer nog vaststellen dat goede voornemens van de Antilliaanse regering, waarover hij vorig jaar nog afspraken heeft gemaakt, niet uitvoerbaar bleken. Gilbert de Paula, de Antilliaanse minister van financiën, kan zijn opdracht niet meer aan en heeft besloten binnenkort af te treden. Een poging van De Paula om voor het eerst een omzetbelasting in te voeren, maar dan alleen voor Curaçao en Bonaire, heeft grote weerstanden gewekt. Curaçaoce politici voelen er niets voor dit eiland op deze manier opnieuw te laten opdraaien voor de tekorten van Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, en ook Bonaire ligt dwars.

"Hoger toezicht' van de regeringen in Den Haag en Willemstad is ingesteld om de bestuurlijke chaos op Sint Maarten aan te pakken en als de strenge richtlijnen die nu voor het financiële beleid van bijna alle eilanden gelden niet tot het gewenste resultaat leiden, zullen er meer onder curatele worden gesteld. Een koninklijk werkbezoek op zo'n moeilijk moment is een goed initiatief, omdat het niet geboren is uit lastige Nederlandse bemoeizucht, maar uit de behoefte van het staatshoofd aan directe informatie. Bij eerdere werkbezoeken heeft de koningin bewezen door haar persoonlijke belangstelling te kunnen bijdragen aan meer onderling begrip en samenwerking.

Christoffel Columbus heeft de naam Antillen uitgevonden. "Ante Islas' (Vóór- eilanden), door kolonisten verbasterd tot Antillen, doopte Columbus de groep Caraïbische eilanden die hij precies vijf eeuwen geleden, in oktober 1492, ontdekte. Later werden enkele van deze speldeprikken op de wereldkaart door Nederlandse zeevaarders op zoek naar zout, het onontbeerlijke conserveringsmiddel voor de Nederlandse visserij-industrie, ingenomen.

Op 12 oktober 1492 kwam na een zware zeereis van 33 dagen het eerste land in zicht: de kust van een van de eilanden die nu tot de Bermuda's behoort. Het was Columbus' eerste poging een korte, Westelijke doorvaart naar Indië te vinden. "Ante Islas', omdat Columbus in de vaste overtuiging verkeerde dat zich daarachter Japan bevond. Op zijn tweede tocht, in 1493, passeerde Columbus de Bovenwinden. Zijn cartograaf Juan de la Coste tekende Sint Eustatius en Saba in op de Mapamundi, de eerste kaart die de "nieuwe wereld' toonde, en die verscheen in 1500.

Meer dan wat verspreide Indianen trof Columbus niet aan op de Antillen en op Cuba, waarvan hij meende dat het Japan was. Pas veel later werden de Caraïben een aantrekkelijke pleisterplaats voor Spaanse, Portugese en Nederlandse handelslieden en werden de Antillen belangrijk voor de Verenigde West-Indische Compagnie.

Eeuwenlang exploiteerde Nederland de Antillen, vanaf 1848 aangeduid als de "kolonie Cura- çao'. Plantages, slavenhandel, smokkel, piraterij en veroveringen, het hoorde er allemaal bij. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het proces van dekolonisatie ingezet. Alle overzeese rijksdelen werden op initiatief van koningin Wilhelmia begunstigd met een "Nieuwe rechtsorde': grotere zelfstandigheid en interne autonomie. Eind 1954 werd de gelijkwaardigheid van de rijksdelen geformaliseerd in het Statuut voor het Koninkrijk, dat nu aan een grondige modernisering en herziening toe is.

Op de Rijkseenheid Boulevard in Willemstad, Curaçao, staat een monument, in 1955 door koningin Juliana onthuld, dat de Antilliaanse eenheid moest symboliseren. Grote witte ringen met daarop zes vogels (de zes eilanden) en het opschrift: “Steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij te staan”. Tot een jaar of vijf geleden werd dat ideaal nog door de Antilliaanse regering beleden, maar vandaag is er op de meeste eilanden geen politicus meer te vinden die er nog iets in ziet.

De koninklijke familie treft in de West een verbrokkelend koninkrijk aan. De grootste Antilliaanse eilanden Curaçao en Sint Maarten die op zijn zachtst gezegd “de wil elkander bij te staan” als een vies woord beschouwen, een Antilliaanse regering die langzaamaan wegkwijnt en steeds minder taken overhoudt, en een trots Aruba dat weinig meer van de Antillen wil weten.

Die situatie baart minister Hirsch Ballin en de Tweede en Eerste Kamer veel zorgen. Met kunstgrepen als een Solidariteitsfonds probeert de minister een zekere eenheid op de been te houden. De Antilliaanse, Arubaanse en Nederlandse regeringen zijn de donoren van dit fonds, waaruit de arme, kleine eilanden die zichzelf niet kunnen bedruipen (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) financiële hulp wordt geboden. Maar Aruba heeft bij Hirsch Ballin een extra uitzonderingspositie weten te bewerkstelligen: dit eiland hoeft niet meer dan 1,5 procent van zijn jaarlijkse inkomsten aan het fonds af te staan. Als de nood aan de man komt en de economie van Aruba zou minder florissant worden dan nu, zal Nederland het ontbrekende bedrag uit de ontwikkelingshulp bijpassen. Een garantie die bij de andere eilandbesturen kwaad bloed zet.

Dat conflict is nog niets vergeleken met de meningsverschillen over de vraag hoe de staatkundige relaties tussen de Antillen onderling en met Nederland moeten worden geregeld. Twee jaar geleden besloot de Nederlandse regering op voorstel van minister Hirsch Ballin niet langer aan te dringen op onafhankelijkheid van de rijksdelen in de West. Voornaamste reden voor die ommezwaai waren de treurige ervaringen met het onafhankelijk geworden Suriname. De militaire revolutie die een verkrachting van de prille rechtsstaat en een ongekende economische neergang met zich meebracht omdat Nederland de ontwikkelingshulp opschortte, hadden de bestuurders aan het denken gezet. Anders dan Suriname, dat in 1975 zelf onafhankelijk wilde worden, gaven Aruba en de Antillen te kennen daar nog niets voor te voelen. Hirsch Ballin vindt dat de eilanden op zo'n eventuele ingrijpende stap veel beter moeten worden voorbereid. Daarom voert hij een veel strenger beleid dan zijn voorgangers om deugdelijkheid van bestuur en bescherming van de rechtsstaat af te dwingen.

De minister wil ook het Statuut voor het Koninkrijk, de "Grondwet' voor de rijksdelen, aanpassen: zowel Aruba als de Antillen mogen zo lang zij dat wensen deel van het Koninkrijk blijven uitmaken. Maar op Sint Eustatius na wil elk eilandgebied eigenlijk zo snel mogelijk het voorbeeld van Aruba volgen: een aparte status als zelfstandig landje binnen het Koninkrijk, en een rechtstreekse band met Nederland. Uit ervaring weten de Antilliaanse ministers dat het voeren van een centraal beleid vanuit Fort Amsterdam in Willemstad, vooral voor de Bovenwindse eilanden die op grote afstand liggen, vaak weinig effectief is. Hirsch Ballin werkt mee aan de vergaande decentralisatie van taken door de Antilliaanse regering, om ruimte te geven aan nieuwe verhoudingen. Maar hij heeft daarbij in toenemende mate te maken met kritiek van de Tweede Kamer, die node een samenhangende visie op de toekomstige structuur van het Koninkrijk mist. Liever zou de Kamer een wijziging van het Statuut voorgelegd krijgen die aangeeft hoe de relaties tussen Aruba en de Antillen, de vijf Antillen onderling en hun verhouding met Nederland worden geregeld, in plaats van een hap-snap beleid om alleen de positie van Aruba veilig te stellen.

Belangrijkste vragen die in Den Haag worden gesteld, zijn: hoe kan Nederland Curaçao en Sint Maarten een zelfstandige positie binnen het Koninkrijk weigeren als het die bevoorrechte positie wel voor onbepaalde tijd aan Aruba gunt? Wat blijft er uiteindelijk over van de samenhang en de solidariteit tussen de zes eilanden? Hoe voorkom je een volledig uiteenvallen van de Antillen als ieder eiland zijn eigen weg wil gaan? Is het niet beter eerst overeenstemming na te streven over een licht federatief verband tussen Aruba en de Antillen?

Wel krijgt Hirsch Ballin alle steun van het Nederlandse parlement voor zijn kruistocht om het interne financiële beleid en het bestuur op orde te brengen. Het gemoderniseerde Statuut, waarvoor binnenkort een Proeve wordt verwacht, zal veel scherpere eisen aan de eilandbesturen stellen. Hirsch Ballin wil daarmee voorkomen dat nog meer onhanteerbare wissels op de toekomst worden getrokken, waardoor de ontwikkelingshulp nu het karakter heeft van "dweilen met open kranen'. Daartoe zullen ook de Statuutbepalingen over het Hoger toezicht van Nederland en de Antilliaanse regering worden aangescherpt.

Maar Hirsch Ballin kampt met het dilemma van het latente conflict over de staatkundige toekomst. Wat blijft er over van de bestuurskracht van de centrale regering in Willemstad? In het geval van Sint Maarten is duidelijk gebleken dat die niet in staat is tot effectief toezicht op de eilanden. Volgens de Statuutverhoudingen die veel weg hebben van het Nederlandse model van nevengeschikte gemeenten, met autonomie voor het interne bestuur, is hun instemming voor belangrijke wijzigingen vereist. Een grote meerderheid in de Tweede Kamer pleit voor een lichte federatieve Unie tussen de Antillen en Aruba, maar Hirsch Ballin durft dat nog niet voor te stellen, omdat het in de West wordt ervaren als een terugkeer naar de oude verhoudingen van vóór de status aparte van Aruba.

In februari gaat de minister op een "Toekomstconferentie' in Willemstad opnieuw proberen een basis voor overeenstemming te bereiken. Wellicht kan het werkbezoek van de koninklijke familie bijdragen aan meer begrip voor de broodnodige eenheid en onderlinge bijstand, waardoor een uiteenvallen van de Antillen kan worden voorkomen.