Jassen aan de regenboog

De regenboogvlieger is wel drie keer zo groot als mijn neefje Robert. Toch moet hij hem dragen want ik heb mijn handen nodig om te kruipen. We hebben de rolstoel bij het duin gezet. Tegen het prikkeldraad. Die wordt toch niet gestolen.

Robert staat al ongeduldig te zwaaien bij de zee. “Kom nou, Michiel.” Maar het is best zwaar kruipen naar het harde zand. En ik heb tegenwind. “Nog niet oplaten”, schreeuw ik.

Ik trek mijn riem los en steek hem door de ring met het touw. Als ik dan mijn evenwicht verlies, zit hij tenminste nog aan mij vast. En voordat ik de lucht inga...

Robert houdt de vlieger omhoog. Dan laten we hem schieten. Zo snel is hij nog nooit gestegen. De haspel tolt langs mijn spijkerbroek. De regenboog klimt en klimt, wordt kleiner en kleiner. Totdat hij als een veegje boven de duinen staat.

Robert springt een gat in het zand. Nou ik, nou ik. Voorzichtig doe ik mijn riem om zijn middel. Het touw staat strak aan de klos. De vlieger wil nog verder. Hij sleurt hem bijna door het zand, geef maar weer hier. Straks vlieg jij boven het strand.

Robert is schelpen aan het zoeken. “Kijk eens hoe hoog hij al staat”, roep ik. Maar dat heeft hij al honderd keer gezien. “Kom Michiel een kasteel bouwen.” Ik draai mij om en graaf mee aan de slotgracht. De vlieger trekt steeds harder aan mijn rug. Robert gaat met zand gooien. Hondepoepie, hondepoepie, roept hij naar een meneer die zijn Labrador uitlaat. Waar zijn de vliegertolletjes? De vorige keer lieten we tolletjes langs het touw klimmen. Maar die liggen nu thuis. Wat kunnen we nu naar boven sturen? Ik zoek in het zand. Robert keert zijn zakken om. En ineens krijg ik een idee. Onze jassen! Maar misschien zijn die te zwaar. We proberen het eerst met die van Robert. Daar kun je de mouwen afritsen. We steken de klos erdoor. Langzaam schuift er een blauw jack over het touw. En dan ineens... ZOEFFF! Ik duikel bijna in het zand van de schrik. De jas is een stipje onder de regenboog. Robert staat te dansen, nou jij nou jij! Maar mijn mouwen kunnen er niet af. En mijn jas is veel zwaarder. Ik steek de haspel door mijn mouw. Robert trekt aan de andere kant. Het lukt, het touw buigt naar het zand. Maar de wind wint. Als een rode vuurpijl schiet mijn jas de lucht in. De vlieger zakt wel. Maar hij staat nog steeds ver boven de duintoppen.

Brrr, mijn vingers zijn ijskoud. Robert bibbert, “mmmorgen nemen we dde tttolletjes mee”. Ik schuif de losse mouwen over zijn armen en windt met mijn handen onder mijn trui de haspel op. Wat duurt het lang voordat zo'n vlieger is ingehaald. Ik kan mijn riem bijna niet meer afdoen. Zo stijf zijn mijn vingers.

Thuis gaan we samen in een warm bad. Het helpt. Maar de volgende dag kunnen we niet vliegeren. Robert is ziek, ik ben snipverkouden en ik had beter moeten weten. Want ik ben bijna tien jaar ouder. Maar... onze jassen hebben aan de regenboog gewapperd.