Ik wil het vlieggevoel veroveren; Gesprek met choreografe Karin Post

Karin Post bloost bijna als iemand haar choreografe noemt. Ze heeft veel ontzag voor "echte' choreografen. "Te eng, te heilig' vindt ze het om zichzelf in hun rijen te durven scharen.

Ze kreeg de aanmoedigingsprijs van de Stichting Dansersfonds voor "True Colour', een programma dat zij samenstelde met speciaal voor die gelegenheid gecreëerde balletten van Hans van Manen, Ted Brandsen, Pauline Daniëls en haar zelf. Gisteravond ging "Twine' in première, het vervolg.

Twine is morgen nog te zien in de Toneelschuur in Haarlem. Daarna wordt het t/m 30 januari uitgevoerd in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Gouda, Nijmegen, Eindhoven, Utrecht, Zwijndrecht, Enschede, Groningen, Zwolle, Alkmaar, Leiden en IJmuiden.

“Ik wil danser zijn”. Karin Post (IJmuiden, 1962) zegt het beslist. En met recht, want ze danst in drie van de vier stukken in Twine, het programma dat gisteren in première ging. Het vierde stuk, dat waar ze niet in meedanst, maakte ze zelf.

Choreograaf is ze minstens zo daadwerkelijk als danser en al weer jaren. Desondanks reageert ze bijna blozend als iemand haar van choreograferen beticht. “Zo langzamerhand kun je dat wel zeggen”, sputtert ze dan voorzichtig, om vervolgens te benadrukken hoeveel ontzag ze heeft voor "echte' choreografen. "Te eng, te heilig' vindt ze hun vak om zichzelf in hun rijen te durven scharen. “Maar”, geeft ze toe, “ik kan er niet langer onderuit.

“Als danser ontkwam ik er niet aan dat ik eigen ideeën kreeg”, verklaart ze die ontwikkeling. De eigen ideeën leidden tot eigen creaties, te beginnen toen ze, na een opleiding aan de Scapino Dansacademie, deel uitmaakte van het gezelschap van Krisztina de Châtel. Van Châtel kreeg ze samen met collega Dries van der Post de gelegenheid om het eigen stuk Shower Power te maken en uit te voeren. Een vervolg was niet mogelijk en een breuk met Châtel onvermijdelijk. “De identiteit van zo'n gezelschap staat voorop”, leerde Post en ze maakte en danste vervolgens, weer samen met Dries van der Post, onafhankelijk het programma Post en Post. Sedertdien is ze behalve danseres een produktieve free lance choreografe.

Al toen ze nog op school zat voelde Karin Post zich exclusief aangetrokken tot de moderne dans. Teruggrijpen naar het verleden is haar nog steeds vreemd “Ik leef vandaag de dag en ik voel me alleen verwant met tijdgenoten. De klassieken kunnen me inspireren, maar een nieuw jasje krijgen ze niet van me. Ik hoef geen commentaar te leveren op wat er al bestaat.” Als aspirant danseres bezocht ze avond aan avond voorstellingen, van Bianca van Dillens Dansproduktie, van Châtel, van Beppie Blankert, van Pauline Daniëls, van Kathy Gosschalk, van Pauline de Groot, van Truus Bronkhorst. “Vrouwen”, beaamt Post, “voelen hier blijkbaar de plicht om marges te verruimen, om te experimenteren. Hun mannelijke collega's belanden gemakkelijker bij de gevestigde gezelschappen. Jammer genoeg hebben de vrouwen van die generatie zo hard moeten vechten voor hun positie, dat ze weinig flexibel zijn. Bianca van Dillen heeft wel altijd ruimte gegeven voor eigen initiatieven, Kathy Gosschalk ook. Maar het merendeel heeft moeite met nieuwkomers en onderling kunnen ze evenmin samenwerken.”

Dat samenwerken leek Karin Post nu juist vanaf het begin van haar carrière zo logisch. “Ik wil dansers en choreografen die ik bewonder van dichtbij meemaken, want ik wil me verrijken en ik wil in technisch opzicht worden uitgedaagd. Omgekeerd geloof ik dat het voor dansers en choreografen verfrissend kan zijn om nu en dan te werken buiten het eigen vaste gezelschap, in de omgeving van mensen die zo verschillend zijn als ik ze maar kan vinden.” Op die manier ontstond True Colour, het programma dat Karin Post begin 1991 samenstelde met speciaal voor die gelegenheid gecreëerde balletten van Hans van Manen, Ted Brandsen en haar zelf. En van Pauline Daniëls, die zichzelf ervoor aanmeldde. Het initiatief was zo succesvol dat Post er de aanmoedigingsprijs van de Stichting Dansersfonds voor kreeg.

Het uitgangspunt was een voorstelling waar ervaren talent en een nieuwe dansgeneratie zich aan elkaar zouden spiegelen, waar choreografen zoveel mogelijk in elkaars balletten zouden meedansen. Post: “Het ging uitdrukkelijk niet om concurrentie. De bedoeling was dat iedereen zich zo persoonlijk mogelijk hield aan het voorgeschreven kader: de muziek van Steve Martland en de korte films van licht en blokjes kleur waarmee beeldend kunstenaar Peter Struycken de voorstelling omlijstte.”

Cultuurkamer

Hans van Manen onttrok zich aan het muziekvoorschrift. Hij maakte zijn ballet op muziek van Harry de Wit.

“Dat heb ik even heel moeilijk gevonden, want hij doorbrak daarmee de eenheid van de avond. Maar het was mijn eigen schuld. Ik had Van Manen te lang laten wachten op een stuk dat Martland nog speciaal voor hem zou schrijven en hij had intussen die compositie van Harry de Wit gevonden. "Die vind ik mooi', zei hij en toen ik sputterde, riep hij "hou op, het lijkt hier wel de Russische Cultuurkamer'. Een mooi antwoord, tekenend voor iemand die niet anders kan dan in vrijheid werken. En hij maakte de prachtige bijdrage Theme die weer wel uitgelezen aansloot op het werk van Struycken.”

Al spoedig na de laatste voorstelling van True Colour belde Van Manen Post op. Hij zou zo graag eens iets voor Dries van der Post maken en hij vroeg zich af of Karin Post niet een vervolg kon organiseren op haar initiatief. Post beloofde "aan het werk' te gaan en voor deze gelegenheid betrok zij Dries van der Post, haar danskompaan van weleer, bij de organisatie.

Post en Van der Post wilden de balletten onderwerpen aan plastischer gegevens dan True Colour, dat immers de verbeelding was van het wat cryptische motto "de kleur van de beweging en de beweging van de kleur'. Ze vat de rode draad die de deelnemers verknoopte als volgt samen: “Moderne muziek, moderne vormgeving en met dynamiek als sleutelwoord.” Het vervolg op True Colour moest ook meer een "aangeklede voorstelling' worden, bijvoorbeeld dankzij de kostuums van Mea Struycken (de dochter van Peter) die uit de modewereld afkomstig is. Post: “Realisme interesseert me niet. Ik kreeg het altijd zwaar als me werd opgedragen om mezelf te zijn: "loop maar zoals je op straat loopt'. Dat lukt me moeilijk. Ik wil juist niet mezelf zijn, ik wil doen wat alleen de fantasie kan oproepen. Als het leven toch moet worden weerspiegeld, dan liever abstract.”

Opnieuw beloofde Peter Struycken een op zijn kleur- en licht-ideeën gebaseerd toneelbeeld te ontwerpen. Post deelt haar leven met hem en heeft onafgebroken met hem gewerkt sinds ze hem in 1988 leerde kennen bij de produktie Change van Krisztina de Châtel, waar zij in danste en hij een decor voor maakte. En ze houdt er voorlopig nog niet mee op: “We hebben nog het een en ander onder de kurk zitten. Ik trof in hem een uniek ontwerper, wiens creaties moeiteloos vervloeien met de danskunst. Zijn werk is niet groots en meeslepend, maar bescheiden en wonderschoon. Het staat niet vast, het beweegt altijd. En hij realiseert zich dat hij van een dansprogramma geen tentoonstelling kan maken.”

Voor Twine werd aan Elmer Schönberger, de musicoloog die door Hans van Manen vaak is aangewezen als zijn muzikale geweten, gevraagd om op basis van gezamenlijke gesprekken over wat dansmuziek moet zijn, een voorselectie te maken van door de choreografen te gebruiken composities. Naast Van Manen, Post en Van der Post zegde Piet Rogie, beeldend kunstenaar annex choreograaf en voormalig artistiek leider van het Penta Theater, een stuk toe voor het programma.

Hans van Manen moest door problemen met zijn gezondheid verstek laten gaan. In zijn plaats nodigden Post en Van der Post Ton Simons uit, een vaste choreograaf van Katy Gosschalks De Rotterdamse Dansgroep, en "totaal anders van stijl dan Rogie of wijzelf, maar helder, nuchter en met een neiging om grootse gevoelens te verbeelden zonder terug te vallen op clichés.'

Grillig

En de andere choreografen?

“Piet Rogie hebben we gevraagd om zijn onafhankelijke bewegings-idioom, zijn grilligheid en wegens zijn kwaliteiten als performer. Dries van der Post staat in Twine voor het licht. Hij improviseert zijn balletten bij elkaar, geeft zich over aan luchtigheid en wordt toch niet oppervlakkig. Voor mijzelf is dans nog altijd een spel, zonder ruimte voor grote drama's en ongeschikt voor spektakel. Ik kreeg beschikking over twee danseressen en één danser en dan wil ik alles, behalve uitkomen op twee Carmens met een Don Giovanni. Uit Schönbergers aanbod koos ik muziek van György Ligeti. Dat viel niet mee, ik kon er geen centimeter omheen. Niet dat ik met zijn muziek moest vechten, maar laten we zeggen dat we nu en dan een behoorlijk gesprek hadden. Ik zag er een trap in en ik heb geprobeerd voor de dansers een tocht in trapvorm uit te zetten. Ik laat ze steeds zo plat en tweedimensionaal mogelijk bewegen, als silhouetten in een stripverhaal.”

Voor haar choreografie vond Post inspiratie op de tentoonstelling De Grote Utopie in het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ze in het bijzonder werd getroffen door de scherp in elkaar snijdende, geometrische kleurvlakken van Ljoebov Popova. Ze gaat vaker te rade bij de beeldende kunst: “Ik zag de tentoonstelling van Sigmar Polke, met zijn wirwar van uitgangspunten: figuratief, abstract, in roet, in glas in lood. Dat wil ik ook, dacht ik, ik wil me alle mogelijkheden toeëigenen. Ik wil het vlieggevoel van de Fred Astaire-films veroveren en ook het spel dat ik een keer zag bij een konijnenfamilie. Vijf konijnen bij twee struiken, ik heb ze lange tijd zitten bekijken en mijn verbeelding gewarmd aan de scènes die ze uitvoerden. Aanval, behoedzaamheid, scherts, agressie, vriendschap en dat alles in uitzinnige choreografische patronen. Of die vogeltjes op het Sint Pietersplein in Rome. Met zijn honderden vliegen ze ineens op, in zwenkende, wispelturige formaties, waar alles in zit: gevoel voor tempo, voor richting, voor verhoudingen, voor schoonheid. Ik ben er nu nog niet aan toe, maar eens doe ik zoiets. Met een enorme zwerm dansers.”