Ik ben de oorvijg en de wang; Biografie van Charles Baudelaire

November is Baudelaire-maand. Begin volgende week verschijnt de vertaling van de Baudelaire- biografie van Claude Pichois en Jean Ziegler en tegelijkertijd begint aan de Rijksuniversiteit Utrecht een Studium Generale over de Franse dichter. Baudelaire-vertaler Frans van Woerden las de biografie en was verrukt over de manier waarop de biografen uit de verschillende schijngestaltes van de dichter die poseerde als "enfant terrible' een diepere waarheid tevoorschijn hebben gebracht.

Claude Pichois en Jean Ziegler: Baudelaire. Vert. Truus Boot en Nelleke van Maaren. Uitg. Ambo. 572 blz. Prijs ƒ 79,50 (geb.). Verschijnt 10 november.

Werk van Charles Baudelaire in vertaling:

Les fleurs du mal. Vert. Ernst van Altena. Uitg. Ambo, 102 blz. ƒ 34,50.De salon van 1846. Vert. Frans van Woerden. Uitg. Voetnoot (Entrepotdok 60a, Amsterdam) 144 blz. Prijs ƒ 34,50. De salon van 1859. Vert. Frans van Woerden. 128 blz Prijs ƒ 34,50. Richard Wagner en Tannhäuser in Parijs. Uitg. Voetnoot. Vert. Frans van Woerden. 53 blz. Prijs 29,90. De wereldtentoonstelling van 1855. Vert. Frans van Woerden. Uitg. Voetnoot. Prijs ƒ 29,90. De schilder van het moderne leven. Vert. Maarten van Buuren. Uitg. Voetnoot. Prijs ƒ 29,90.

De Rijksuniversiteit Utrecht organiseert van 9 tot 30 november een Studium Generale over Baudelaire als kunstcriticus, waar ondere anderen Claude Pichois te gast is. Inlichtingen: 030-532436.

Voor de gelukkige bezitter van een particulier hallucinatiescherm is het een overbekend gegeven: hoe dieper nacht, hoe opmerkelijker programma.

Zo was het me laatst vergund om in het meest diepe duister ademloos te mogen kijken naar een spiksplinternieuwe literaire snelheidsquiz. "Alfa-bête' geheten, waarin de volgende vraag op de kandidaten werd afgevuurd:

“De dichtbundel telt slechts 319 pagina's dundruk en neemt, in vergelijking met "Les Contemplations' of "La Légende des siècles' - waarvan de auteur zoals u allen weet Victor Hugo is - maar weinig ruimte in de boekenkast in. Toch is uit dit maar één centimeter dikke boekje destijds de moderne poëzie geboren... De vraag nu is, dames en heren, hoe heet deze dichtbundel, hoe heet zijn auteur en wie heeft recentelijk een belangrijke biografie over deze auteur geschreven?'

“Niet gemakkelijk”, dacht ik nog, maar daar drukten alle twaalf quizkandidaten al tegelijk hun knop in en riepen in koor:

“Eén: Les Fleurs du Mal! Twee: Charles Baudelaire! Drie: Claude Pichois en Jean Ziegler!”

En alsof dit niet verpletterend genoeg was, sprong er vervolgens een van hen op en riep: “Biografie uitgegeven bij Julliard in Parijs, 1987!”

Hierna klonk een enorme gongslag, mooie meisjes begonnen te dansen en de extra-erudiete kandidaat kreeg de winnende mega-bonus (vijfhonderdduizend gulden en een persverse Baudelairevertaling) uit handen van de quizmaster, die het allemaal vrij normaal scheen te vinden, gezien "de algemene bekendheid die Baudelaire nu eenmaal in Nederland geniet, volgende vraag!'

Niet te geloven en de rest laat zich raden: volgende ochtend bij 't eerste hanegekraai op naar Baudelaire, snel naar de boekwinkel en goddank, net op tijd voor het allerlaatste exemplaar van de biografie! “U boft hoor, 't gaat als warme broodjes!” En vooruit, lectuur!

Hoe dat beviel zal ik, vanwege Baudelaire's algemene bekendheid, heel in 't kort vertellen.

Allereerst is het een turf van een biografie: 704 bladzijden en met de pretentie alle relevante baudelairiaanse informatie van de afgelopen honderd jaar te omvatten. In zijn inleiding stelt Claude Pichois, in het dagelijks leven directeur van het "W.T. Bandy Center for Baudelaire Studies' van de Amerikaanse Vanderbilt University en die het grootste deel van de biografie voor zijn rekening heeft genomen, droogjes vast dat het, één eeuw na het standaardwerk (1887) van Eugène en Jacques Crépet, "tijd werd voor een nieuwe biografie'. Een opmerkelijke observatie als men weet dat zijn instituut in 1986 omstreeks 50.000 titels betreffende Baudelaire registreerde! Maar hierin is volgens de biograaf slechts "peu à prendre et beaucoup à laisser'.

Doemdichter

Maakt Pichois zijn pretentie waar? Voor het overgrote deel wel, dacht ik. Hij is een goed, soms op de rand van de wijdlopigheid balancerend verteller en voor de ware liefhebber bevat zijn boek een schat aan - deels zelfs nieuw - materiaal. In vierentwintig hoofdstukken, verdeeld over zeven grote "afdelingen', passeren, gelardeerd met amusante of poignante anekdotes en verslagen, de levensfasen van Frankrijks grootste doemdichter minutieus de revue: de in affectief opzicht niet geheel harmonieus verlopende jeugd (verlies van vader op zesjarige leeftijd, hertrouwen van de geliefde moeder met Jacques Aupick, een hoge militair, langdurige verblijven op diverse kostscholen), Baudelaire's losbandige studentenleven in Parijs (compleet met het oplopen van gonorroe en syfilis), zijn roemruchte, door zijn ouders verordonneerde zeereis, zijn eerste schreden op het pad der literatuur (poging tot zelfmoord na het relatieve fiasco van zijn eerste kunstkritiek, "Le Salon de 1845'), zijn onder financiële curatele stelling (hij joeg zijn erfenis erdoor), zijn uitbarsting op de barricaden van het revolutiejaar 1848: “We gaan generaal Aupick doodschieten!”, de publikatie en het proces van zijn dichtbundel Les Fleurs du Mal in 1857, zijn kandidaatstelling voor de Académie Francaise, en tot slot zijn Brusselse ballingschap en het overlijden in Parijs op 31 augustus 1867.

Omdat Pichois zoals hij zegt de Engelse formule van "Life and Letters' volgt, combineert hij zijn reusachtige hoeveelheid rechtstreeks biografisch materiaal met een al even rijk gesorteerde keur aan authentiek baudelairiaans proza en poëzie. Dat lijkt een juiste opzet vanwege de verwevenheid, sterker nog: de wisselwerking die er bij Baudelaire bestaat tussen het buiten-literaire en het literaire, tussen wat hij beleeft en de wijze waarop hij daaraan, als rechtgeaarde dandy en artiest, vorm geeft.

Pichois demystificeert de sprookjes die de dichter over zichzelf in het leven heeft geroepen zoveel mogelijk en doet dat dus zoals gezegd met behulp van meer gegevens dan Baudelaire-biografen als F.W.J. Hemmings, Walter Benjamin, J.P. Sartre, e.a. Amusant zijn bijvoorbeeld de verschillende versies van Baudelaire's zeereis naar de Indische Oceaan in 1841-'42. Zelfs diste de dichter naderhand van alles op over zijn "heerlijke tochten' naar Ceylon en de Malabarkust van India. Pichois produceert echter een lange, veelzeggende brief van de kapitein van Baudelaire's schip aan stiefvader Aupick waaruit blijkt hoe onmogelijk Baudelaire zich aan boord gedroeg en dat hij, aangekomen op het Ile Bourbon (het huidige Ile de la Réunion), zo snel mogelijk naar Frankrijk is teruggereisd! (Interessant is in dit verband Pichois' vergelijking tussen Baudelaire en Céline's romanfiguur Bardamu die aan boord van de 'Admiraal Bragueton' immers ook langs de kusten van Afrika vaart. Er worden in het boek trouwens nog wel meer parallellen tussen deze twee schrijvers gesignaleerd.)

Kat-en-muis

Eén van Baudelaire's meest frappante karakteristieken zoals die uit deze biografie naar voren komen is zijn vergaande, in alles wat hij deed of schreef doorklinkende ambivalentie. Deze blijkt uit het voortdurend kat-en-muis spel dat hij speelt in de relatie met zijn moeder en met zijn vriendin Jeanne Duval, uit zijn inconsequente avances naar de schone madame Sabatier, uit zijn houding tegenover de stad Parijs met haar mensenmassa ("horrible vie, horrible ville', terwijl het Parijse leven volgens hem toch ook "één en al poëzie en sprookjesachtigheid is'), uit zijn diepe angst voor de in hem voortwoekerende syfilis en de luchthartigheid die hij erover naarbuiten afficheert, uit zijn gelijktijdige afwijzing én acceptatie van de bourgeoisnormen van zijn tijd, uit zijn koele pose van dandy-estheet die inwendig kookt van artistieke hartstocht, enzovoorts, enzovoorts.

Maar deze existentiële verscheurdheid (die hij bij zichzelf waarneemt maar ook bij de anderen, men denke aan Baudelaire's fameuse aanroep: “Hypocrite lecteur, - mon semblable, - mon frère!”) is tegelijk zijn inspiratiebron en het grote thema van alles wat hij schrijft: poëzie of "poèmes en prose', essays, kritieken of novellen. Het is het uitgangspunt van zijn esthetische reflectie over het Schone, dat volgens hem een eeuwigheidscomponent en een tijdelijkheidscomponent bevat, het blijkt uit zijn katholiek-mystieke opvatting van "de twee gelijktijdige strevingen binnen de mens, de ene naar God, de andere naar Satan', het is het principe van zijn dichtkunst zelf, die binnen een klassieke vorm uitdrukking geeft aan exuberante gevoelens en daardoor classicistisch formalisme en romantische retoriek verenigd in een hogere synthese: het (baudelairiaans!) symbolisme.

Slachtoffer

Baudelaire was een ongelukspoëet die met recht heeft gedicht:

Je suis la plaie et le couteau!

Je suis le soufflet et la joue!

Je suis les membres et la roue,

Et la victime et le bourreau!

(Ik ben de wonde en het mes!/ Ik ben de oorvijg en de wang!/ Ik ben de ledematen en het rad,/ En het slachtoffer èn de beul!) (Uit het gedicht: L'Héautontimorouménos (lett.: De beul van zichzelf))

Hij was zijn eigen kwelling, deze aartsindividualist, een fragiele natuur die al vroeg in het leven een nooit meer geheelde "barst' opliep, zo meent Pichois, daarmee een stelling overnemend uit Sartre's Baudelaire-studie van 1947. Anders echter dan Sartre die Baudelaire "de mauvaise foi' vindt omdat deze slechts een opstandige en geen revolutionair zou zijn, wijst Pichois voortdurend, soms expliciet maar vaker tussen de regels, op de definitieve omwenteling die deze fragiele natuur door zijn non-conformistische keuze om "auteur' te worden, heeft teweeggebracht in ons denken over kunst en poëzie. Een juiste toonzetting lijkt me want hoevelen heeft de "dichter van het moderne leven' niet weten te inspireren: Mallarmé en Proust, Rimbaud, Apollinaire en Valéry, Walter Pater en T.S. Eliot, J.C. Bloem, M. Nijhoff, en dan vergeet ik nog vele anderen.

Eén van de meer stichtelijke gedachten die onder het lezen bij mij opkwamen was dat hier toch maar het bewijs werd geleverd dat een goede biografie uit de vele schijngestalten van het "ik' van een kunstenaar een diepere waarheid tevoorschijn kan brengen. Want uit de contouren die dit uitvoerige levensverhaal schetst van een grillig levend, shockerend en poserend "enfant terrible' wordt, langzaam maar zeker, onnadrukkelijk maar onontkoombaar, een essentie zichtbaar, namelijk die van het creatieve genie van Charles Baudelaire.

Dat is een grote verdienste van biograaf Pichois. Want hij gaat daarmee in tegen de aloude, hardnekkige tendens om een kunstenaar letterlijk en veroordelend vast te pinnen op bepaalde feiten van zijn privé-leven. En inderdaad, wat doet 't er ook in wezen toe, zo vraag je je in gemoede af, of Caravaggio een bruut van een vent was, of Picasso lelijk tegen zijn vrouwen deed, of Genet om de haverklap in de bak zat, of Verlaine nooit zijn tanden poetste en soms met een pistool zwaaide, of Achterberg dit deed en Artaud dat? Maar ho! vóór ik nu doordraaf over hoe onaardig de fluwelen Sainte-Beuve om privé-redenen tegen zijn "vriend' Baudelaire was, is het beter te verwijzen naar wat Pichois in zijn boeiende biografie hierover te zeggen heeft. Heel leerzaam.