Het ruikt naar spruitjes (1)

Het is “het stiefkind van de literatuur”, zo klaagde de detectiveschrijver Ab Visser.

Een stiefkind dat gedoemd is om “eerder vroeg dan laat” in het massagraf van Jan de Slegte te belanden, schrijft de detectiveschrijver Jan Koesen.

De zijne, misschien, niet de detectiveromans van auteurs als René Appel, Martin Koomen, Chris Rippen, Jef Geeraerts, Tomas Ros en Joop van den Broek. In werkelijkheid heeft geen literair genre in het Nederlands taalgebied zich zo stormachtig ontwikkeld als de letterkundige verbeelding van moord en doodslag.

Vroeger werden de Nederlandse detectives verzonnen door Ivans, Willy Corsari en W.H. van Eemlandt. De dode werd in hoofdstuk drie in de bibliotheek aangetroffen en de dader werd in het één na laatste hoofdstuk in de kraag gegrepen, waarna nog een hoofdstuk uitleg volgde. De dienstdoende inspecteur was een keurige koffiedrinker zonder onderlijf en literair gezien was het allemaal aan de magere kant.

Dat is ingrijpend veranderd.

Er worden in Nederland inmiddels werkelijk hele goeie thrillers geschreven. Maar nog veel, héél veel meer hele slechte thrillers. Dat komt omdat het een ogenschijnlijk pretentieloos genre is. Vandaar dat menige ambitieuze hulponderwijzer of gepensioneerde dorpsveldwachter zich eraan vergrijpt.

Maar er bestaan in het land der letteren geen pretentieloze genres. Er bestaan slechts goede en slechte boeken.

Ik heb er de afgelopen maanden om den brode een dertigtal onder ogen gekregen.

Geloof me, dat is véél.

Het ergst zijn de thrillerschrijvers die de èchte literatuur proberen te imiteren.

Lees en huiver: “Alleen door haar werkgever zijn jijtjes en jouwtjes te onthouden kon ze hem haar woedende minachting stroperig om zijn vlezige lippen blijven smeren.”

En: “Dan was Kobie er op maandag om haar tranen te blussen met een kop sterke koffie, die minstens even bitter smaakte als de waarheid waar ze maar niet aanwilde.”

Toegegeven, de Nederlandse detectiveschrijver is, vergeleken met zijn buitenlandse collega's enigszins gehandicapt. Hij of zij woont en werkt in een tamelijk vreedzame natie. De personages zijn meestal afkomstig uit Weesp, of Zwolle of Appingedam. En niet uit de sloppen van San Francisco of Los Angeles, were the action is. Ook in Purmerend wordt natuurlijk van tijd tot tijd wel eens iemand overhoop gestoken, maar een mooie, intrigerende subintellectuele moord heeft daar zeldzaamheidswaarde. Dus beweegt de Nederlandse speurneus zich in een maatschappij die eigenlijk te bedaagd is voor moord en doodslag. En je ziet de schrijver worstelen met de namen van zijn schurken, helden en anti-helden. Die ruiken allemaal naar spruitjes. Kees Klok. Paula Theunisse. Hermanus van Hellendoorn. Jaap Verheul. Iris de Wilde. Jean Toets.

Jean Toets is de speurneus uit Axel Bouts' Rosé de Province. Hij droomt van een onbezorgde vakantie, met veel "zee, zon, zand, zorgasme'.

Is het niet verschrikkelijk?

En als de namen niet aan de dorpspomp doen denken, blijkt de schrijver in zijn radeloosheid voor namen te hebben gekozen die in geen telefoonboek ter wereld te vinden zijn:

Mozes Alambiek, Wessel van Aldrigeln, Don Stromboll.

De schrijver Jef Geeraerts, zich van het gevaar van provincialisering bewust, heeft getracht om het genre te internationaliseren door in twee talen tegelijk te schrijven. Zie het begin van zijn Thriller Z17. De held is de gelukkige eigenaar van twee gram sholsale gekochte coke, hij hanteert een recorder en krijgt een brede smile, terwijl hij een scotch on the rocks bestelt. Met amateurs, verzucht hij, heb je niks als trouble. Hij begeeft zich naar het office van de A.C. Project waar tien man out of town op free lance-basis werkzaam zijn. Zijn gastheer monstert zijn business suit, maar deze outfit is gelukkig oké. De aangeboden nose candy kost - no kidding - achtentwintig punt drie. That's deal, zegt de held. Waar zal de nose coke worden geleverd? Knokke is 'n mousetrap. Dus liever de parking van de Scandic Crown te Antwerpen. Die is safe.

Menige Nederlandse detectiveroman speelt zich af op of rondom het Binnenhof, blijkbaar een milieu dat tot de bloeddorst spreekt. Het resulteerde in twee excellente boeken van de ex-maoïst Koos van Zomeren, een handvol passabele boeken van de liberaal Theo Joekes, een matig boek van zijn partijgenoot Charl Schwietert en een a-bo-mi-na-bel boek van Paul van Dam.

Paul dan Dam? Wie mag dat zijn?

Schwietert, lees ik, behoorde “tot de vooraanstaande politieke journalisten in Den Haag”.

Van Dam is naar eigen zeggen een “algemeen erkend, geliefd, gehaat, geprezen en verguisd politiek analyticus”.

Niettemin kenmerkt het door beide heren geschrevene proza zich niet zozeer door een vlijmscherpe politieke visie, als wel door een regelrechte verslaafdheid aan soft sex.

Ik citeer Schwietert: “Prima type, die Mirjam. Mooi blond haar, lekker vol in de bloes”.

Ik citeer Van Dam: “Haar tepels als rozenknoppen waren door haar strakke T-shirt duidelijk te zien”.

Het is een bewijsvoering van niks, maar ik durf er, op grond van deze twee citaten, een lief ding onder te verwedden dat Paul van Dam en Charl Schwietert, nepdoctorandus en gemankeerd VVD-staatssecretaris, één en dezelfde persoon zijn.