Het koor van Hadewijch; Problemen in de Middelnederlandse letterkunde

Frank Willaert e.a.: Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen, VII. Uitg. Prometheus, 441 blz. Prijs ƒ 65,-.

Frits van Oostrom: Aanvaard dit werk. Over Middelnederlandse auteurs en hun publiek. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen, VI. Uitg. Prometheus, 335 blz. Prijs ƒ 49,90.

Toeval en intutie spelen een rol in de wetenschap. Huizinga had het over "het overspringen van een vonk' toen hij naderhand beschreef, hoe de gedachte die aan Herfsttij der middeleeuwen ten grondslag ligt bij hem opkwam. Hij kreeg de ingeving in of omstreeks 1907, vermoedelijk tijdens een wandeling langs het Damsterdiep in Groningen. Dat op toevalstreffers gebaseerde wetenschappelijke ontdekkingen dikwijls geen genade kunnen vinden in de ogen van vakgenoten, blijkt maar al te duidelijk uit het tragische verhaal van de Groningse hoogleraar K. Heeroma.

Van Maerlant

Op 28 juni 1965 kreeg de neerlandicus Heeroma een geschenk dat zijn verdere leven - hij stierf in 1972 - bepaalde. Uit de nalatenschap van Willem de Vreese, de samensteller van de Bibliotheca Neerlandica manuscripta, ontving hij diens van vele aantekeningen voorziene exemplaar van de tot dan toe enige uitgave van het zogenoemde Gruuthusehandschrift. Dit handschrift, dat zich nog steeds in particulier bezit bevindt, was door De Vreese onderzocht en beschreven, nadat deze er naar eigen zeggen meer dan veertig jaar naar "gehengeld' had. Heeroma begon in de editie te lezen en werd er zo door gegrepen dat hij gedurende enige tijd aan niets anders kon denken. En in de nacht van 7 op 8 juli vond hij de oplossing, of liever gezegd zijn oplossing, voor de Gruuthuseproblemen.

Het handschrift is een verzameling gebeden, liederen en gedichten die in de tweede helft van de veertiende eeuw door verschillende kopiisten zijn genoteerd. Een van de gedichten werd in 1392 geschreven door Jan van Hulst, een dichter en rederijker avant-la-lettre uit Brugge, die zijn naam door middel van een acrostichon prijsgaf. Het gedicht was opgedragen aan Jan van Brugge, heer van Gruuthuse. De zoon van deze Jan, de veel bekendere Lodewijk van Gruuthuse, die van 1463 tot 1477 stadhouder was van Holland, Zeeland en West-Friesland, kocht de verzameling voor zijn bibliotheek. Vermoedelijk zijn de verschillende delen toen in één band gebonden.

Heeroma's ontdekkingen hebben vooral betrekking op het middendeel van de verzamelcodex. Zijn voornaamste conclusie betreft het auteurschap van de liederen: alle 147 liederen zouden zijn geschreven door één man, die bovendien zijn eigen veelbewogen liefdesleven tot uitgangspunt had genomen.

Stilistische en inhoudelijke gegevens brachten Heeroma ertoe de teksten en de streepjesnotatie van de muziek toe te schrijven aan de Brugse dichter Jan Moritoen. Moritoen zou een soort hoofse driehoeksverhouding hebben onderhouden met de betreurde vriend uit het gedicht Egidius waer bestu bleven? en diens geliefde Margriete. Nadat Heeroma op 8 juli 1965 aan vrouw en kinderen had meegedeeld dat hij "alles' wist van Egidius, bereidde hij in recordtempo een nieuwe editie van het Gruuthusehandschrift voor, die bij de viering van het tweede eeuwfeest van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op 20 mei 1966 werd aangeboden aan H.M. de Koningin. De becommentarieerde uitgave werd voorafgegaan door een inleiding van meer dan tweehonderd bladzijden.

Vervolgens bleek dat collega-neerlandici zich absoluut niet konden vinden in de visie van Heeroma. Alle critici verwierpen zijn ideeën en er ontstond een polemiek, die Heeroma hevig moet hebben aangegrepen. Tussen 1965 en 1972 publiceerde de Groningse hoogleraar ongeveer duizend bladzijden over het handschrift. Daarna werd het stil.

De tragiek schuilt hierin dat sinds het begin van de jaren tachtig - in een periode waarin de studie van de Middelnederlandse letterkunde belangrijke impulsen heeft gekregen - nieuwe argumenten zijn aangedragen die erop wijzen dat de Gruuthuseliederen vermoedelijk toch grotendeels het werk van één dichter moeten zijn geweest. Het toeval wil dat het handschrift dit najaar (tot 30 november) te zien is op een grote tentoonstelling in Brugge over de in 1492 overleden Lodewijk van Gruuthuse. De beschrijving in de tentoonstellingscatalogus geeft Heeroma een - voorzichtig - eerherstel.

Lyriek

Aan Heeroma's tekstuitgave uit 1966, werd meegewerkt door de musicoloog C.W.H. Lindenburg. De twee geleerden opereerden onafhankelijk van elkaar: de teksten bij de muziek zijn zelfs niet identiek aan die in de editie! Maar ook de opvattingen van Lindenburg brachten een wetenschappelijk debat op gang. De muziekwetenschappelijke en de filologische discussies liepen volstrekt langs elkaar heen. Van interdisciplinariteit was destijds niets te bespeuren.

Nu, een kwart eeuw later, is dat wel anders. In het kader van het Leidse onderzoeksproject "Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen' werd de Antwerpse hoogleraar Frank Willaert uitgenodigd om een interdisciplinaire werkgroep over middeleeuwse lyriek in de Nederlanden te leiden. De bevindingen van de deelnemers aan dit werkgezelschap zijn inmiddels in druk verschenen. De achttien opstellen in de bundel Een zoet akkoord tonen aan dat er op vele fronten met toewijding en doorzettingsvermogen gewerkt wordt aan onderzoek naar ontstaansmilieu, betekenis, vorm en functie van de hoofse minnelyriek van dichters als Hendrik van Veldeke (eind twaalfde eeuw) en hertog Jan I van Brabant (ca. 1290) tot en met de liederen en refreinen van de rederijkers en de poëzie van een vroegrenaissancistisch dichter als Lucas d'Heere.

Het is duidelijk dat de directe samenwerking tussen neerlandici, germanisten, romanisten, muziekwetenschappers en (kunst)historici tot mooie resultaten kan leiden. Zo weet de musicoloog Louis Peter Grijp aannemelijk te maken dat de Strofische Gedichten van Hadewijch destijds door de begijnen gezongen werden en in veel gevallen muzikale contrafacten van Marialiederen zijn. Door neerlandici is deze belijdenislyriek meestal als een strikt persoonlijke gevoelsuiting van de Brabantse mystica opgevat. Toch had J. van Mierlo in 1943 al eens - intutief! - geopperd dat Hadewijchs gedichten als gemeenschapslyriek voor gelijkgestemde mystieke vrouwen bedoeld waren.

Er zijn maar weinig Middelnederlandse liederen uit de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw bewaard gebleven. De gedichten van Hendrik van Veldeke en Jan I van Brabant zijn slechts bekend uit enkele Duitse handschriften. Uit de periode omstreeks 1400 is veel meer profane lyriek overgeleverd. Het grootste gedeelte daarvan bevindt zich in drie verzamelhandschriften: het Haagse liederenhandschrift, het Berlijnse liederenhandschrift en het Gruuthusehandschrift. Hoewel ook de vijftiende en de zestiende eeuw ruimschoots aan bod komen in Een zoet akkoord (onder andere bijdragen over geestelijke lyriek, het rederijkerslied, de mondelinge overlevering van balladen), ligt het accent toch op de overgang van de veertiende naar de vijftiende eeuw. Het hoge "Gruuthuse-gehalte' van de bundel is opmerkelijk. Artikelen over thematische genres en types in het Gruuthuseliedboek, het gebruik van beeldspraak in de drie genoemde verzamelhandschriften en de overlevering van de gebeden in het Gruuthusehandschrift, wijzen erop dat het werk van Heeroma een serieus vervolg krijgt.

Bovendien presenteert de musicoloog C. Vellekoop op basis van de nieuwste inzichten over de streepjesnotatie in middeleeuwse liederenhandschriften reconstructies van een aantal Gruuthuseliederen. Lindenburg geloofde niet dat in de liederen tekstloze, instrumentale gedeelten voorkwamen. Vellekoop slaagt erin de afwisseling van vocaal en instrumentaal uitgevoerde gedeelten te traceren. Hij komt tevens met een aantal suggesties omtrent de daarbij gebruikte instrumenten. Helaas zijn zulke specialistische artikelen voor de gemiddelde belangstellende lezer niet altijd even goed te volgen. Op 4 september 1991 zijn enkele van de Gruuthuseliederen door het ensemble Camerata Trajectina uitgevoerd op het Holland Festival Oude Muziek in een aan de Middelnederlandse liedcultuur gewijd programma. Van dit programma "Een pacxken van minne' verschijnt een dezer dagen een compact disc, die de kennismaking met de Middelnederlandse lyriek wellicht kan vergemakkelijken.

Het woord van meer

Het onderzoeksproject "Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen' staat onder leiding van de Leidse hoogleraar Frits van Oostrom, de auteur van Het woord van eer, een in 1987 verschenen studie over literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400. Van Oostrom is niet alleen een goed organisator, maar ook een produktief onderzoeker. Onder de titel Aanvaard dit werk bundelde hij een aantal artikelen van zijn hand, die verschenen in de jaren 1982-1992.

Twee van de vijftien artikelen zijn nieuw: een inleidende beschouwing over het onderzoek naar degenen voor wie in de middeleeuwen literaire werken werden geschreven ("Onderzoek van opdrachtgevers') en een essay over leven, werk en wereld van Jacob van Maerlant, dat ook gezien de ondertitel - "Contouren van een biografie' - een voorproefje is van de monografie over Maerlant die Van Oostrom thans in voorbereiding heeft. Dit veelbelovende artikel, waarin onder meer gespeculeerd wordt over de rol die de Vlaamse dichter zou kunnen hebben gespeeld als leraar van de jonge Hollandse graaf Floris V, vormt met twee eerder gepubliceerde Maerlantstudies een van de vier thematische blokken in de bundel. De andere thema's zijn "Schrijverschap en mecenaat', "Het Hollands-Beierse hof' en "Het vak'. In die laatste rubriek is een in 1988 in het tijdschrift Literatuur verschenen artikel over Heeroma en het Gruuthusehandschrift opgenomen.

De vraag dringt zich op hoe zinvol het is om deze recente en relatief gemakkelijk bereikbare publikaties opnieuw uit te geven. Juist omdat er in de afgelopen tien jaar veel voortgang is geboekt in de studie van de Middelnederlandse letterkunde, heeft de auteur de meeste artikelen voorzien van een naschrift waarin hij soms - onder verwijzing naar ondertussen verschenen proefschriften of andere publikaties - zijn beweringen afzwakt of herziet. Dat staat hem te prijzen, maar daardoor wordt de materie niet inzichtelijker voor het grote publiek, waar deze uitgave toch op lijkt te mikken. Het woord van eer is het woord van steeds meer geworden. En Van Oostrom is daar zeer tevreden over.

In een stuk uit 1989 over de stand van zaken in de beoefening van de Medioneerlandistiek stelt hij niet alleen vast dat er steeds méér gepubliceerd wordt door steeds méér onderzoekers, maar dat door de toenemende specialisering van deze onderzoekers hun studies genuanceerder, diepgaander en veelzijdiger zijn geworden. De kennis van het Middelnederlands als taal en van het geheel der overgeleverde teksten is echter minder geworden, zodat te vrezen valt dat intutie een steeds kleinere rol zal spelen bij de interpretatie van Middelnederlandse literatuur.