Het idee wordt machine; Overzichtstentoonstelling van de conceptuele kunstenaar Sol LeWitt

In 1958 kopieerde de Amerikaanse kunstenaar Sol Lewitt beroemde schilderijen, nu maakt hij gouaches met onregelmatige verticale en horizontale banen in verschillende kleuren. In de tussentijd is hij bekend geworden als conceptueel kunstenaar die onder meer muurschilderingen ontwierp. In het Haags Gemeentemuseum zijn nu 400 tekeningen van LeWitt uit de periode 1958-1992 bijeengebracht. “Er is geen reden om aan te nemen dat de conceptuele kunstenaar uit is op het vervelen van de toeschouwer.”

Tentoonstelling Sol LeWitt. Drawings 1958-1992. T/m 13 dec. in het Haags Gemeentemuseum. Open di t/m zo 11-17u. Catalogus (Nederlands/Engels) ƒ 57,50.

“Ik wilde terug naar iets fundamenteels.” Sol LeWitt spreekt aarzelend over de vroegste werken op zijn retrospectieve tentoonstelling van tekeningen in het Haags Gemeentemuseum. Het zijn kopieën naar reprodukties van Piero della Francesca, Botticelli, Velazquez, Rubens, Goya, Ingres en studies van planten en draperieën. Werk van een academiestudent zou je zeggen, maar LeWitt (1928 Hartford Connecticut) maakte ze in 1958, na zijn studie. “Ik wilde tekenen, maar wist niet wat of hoe. Ik leefde tamelijk geïsoleerd en had geen ideeën die me werkelijk bezighielden. Door het natekenen van planten en schilderijen waar ik van hield, kon ik er misschien achterkomen.”

Op het eerste gezicht is er weinig verband tussen dit werk en de series tekeningen die LeWitt tien jaar later maakte, waarin hij alle mogelijke combinaties onderzoekt van vier rechte lijnen - horizontaal, verticaal en twee diagonalen. De wens back to something basic loopt echter als een rode draad door zijn oeuvre. Basisvormen als lijnen, cirkels, vierkanten en kubussen zijn volgens LeWitt betrekkelijk oninteressant, maar juist daarom geschikt om als bouwstenen te dienen voor zijn werk. In de jaren zestig begon hij met het ontwerpen van driedimensionale structuren, een soort netwerken van gesloten en open kubussen. In 1968 vervaardigde hij zijn eerste muurtekening in een galerie in New York. In deze tijd publiceerde hij ook zijn Paragraphs en Sentences over conceptuele kunst. De conceptuele kunstenaar, schreef hij, stelt van te voren zijn plan vast. De rest is een kwestie van uitvoeren: “Het idee wordt een machine die kunst maakt.” Lewitt werkt als een componist: wanneer de muziek op papier staat, kunnen anderen de partituur uitvoeren.

“Ik heb geen principes en noem mezelf geen conceptuele kunstenaar,” antwoordt LeWitt op mijn vraag of hij nog steeds achter deze uitgangspunten staat. “Het probleem met muurtekeningen is dat er meestal veel ruimte is en weinig tijd. Daarom ben ik met assistenten gaan werken en nu doen ze het beter dan ik. Het is dus niet zozeer principeel als wel praktisch. Maar in het begin is er altijd een idee en dat krijgt een tastbare vorm, door mijn toedoen of door iemand anders.” Maar ook dat laatste blijkt geen wet van Meden en Perzen. “Ik denk dat ik deze zelf zal moeten doen,” zegt LeWitt over een serie gouaches uit 1992 van onregelmatige verticale en horizontale banen in verschillende kleuren. “Ze zijn te subjectief om aan iemand anders over te laten.”

Het contrast tussen deze los geschilderde, kleurige gouaches en de tekeningen uit het begin van de jaren zeventig met ragfijne patronen van dunne potloodlijnen in rood, geel, blauw en zwart, lijkt groot. Heeft LeWitt zich ontwikkeld van een koele classicist tot een uitbundige expressionist? Zoals de meeste kunstenaars verwerpt Lewitt het gebruik van dit soort etiketten. Bij het kijken en vergelijken van het vroege en late werk blijkt bovendien hoe ontoereikend deze termen zijn. Een tekening met de zakelijke titel Ten Thousand Lines, Five Inches Long, Within A Seven Inch Square (1972) en de Scribble Drawing (1970), toevallig ontstaan toen hij zijn pennen uitprobeerde, zijn verrassend expressief. Op enkele latere gouaches keren de subtiele structuren in dunne potloodlijnen bijna onzichtbaar terug. “Conceptuele kunstenaars zijn eerder mystici dan rationalisten. Zij komen tot conclusies die buiten het bereik van de logica liggen,” schreef LeWitt al de Sentences.

Waardeloos

LeWitt is in Nederland geen onbekende kunstenaar. In 1974 toonde het Amsterdamse Stedelijk Museum een overzicht van zijn grafiek en tien jaar later organiseerde dit museum samen met het Van Abbemuseum in Eindhoven een grote expositie van de walldrawings en structuren. In het Haags Gemeentemuseum, waar in 1970 zijn eerste overzichtstentoonstelling plaatsvond, is permanent een muurtekening te zien in een trappenhuis en aan de gevel van de Schamhart-vleugel een vijfdelig reliëf. Maar ook particulieren en bedrijven interesseren zich voor zijn werk. In het Aegon kantoor in Leeuwarden is in 1989 een muurtekening van 12 bij 35 meter aangebracht en Martin en Mia Visser behoorden tot de eerste verzamelaars, zoals op de tentoonstelling te zien is aan een certificaat, Buried Cube, uit 1968. Op een serie foto's staan vijf mensen, onder wie het echtpaar Visser en LeWitt (met bril) bij een stalen kubus die vervolgens door hem wordt begraven. In een toelichting bij dit fotowerk keerde LeWitt zich in 1978 tegen de commercialisering en trivialisering van de kunst. “Gertrude Stein zei: een kunstwerk is van onschatbare waarde of waardeloos”, aldus LeWitt. De weerzin tegen de reductie van kunst tot handelswaar was een van de motieven die een rol speelden bij het ontstaan van conceptuele kunst. Het is belangrijker, zo vond men, om een idee, bijvoorbeeld van een onzichtbare kubus, te bezitten dan een verkoopbaar kunstwerk.

Bij alle verschillende activiteiten - behalve structuren, muurtekeningen, prenten en boeken, ontwerpt LeWitt meestal zijn eigen catalogi, affiches en tentoonstellingen - blijven eigenhandige tekeningen de meest directe uitingsvorm van de gedachten van de kunstenaar. Een eeuwenoud kunsttheoretisch probleem, de relatie tussen de disegno interno, het idee, en de uitvoering ervan in een disegno esterno, wordt bij LeWitt en andere conceptuele kunstenaars tot zijn essentie teruggebracht.

Een aantal tekeningen op de tentoonstelling, zoals de gouaches en een schema waarin alle mogelijkheden van incomplete open kubussen (van drie tot elf ribben) zijn aangegeven, is te beschouwen als autonoom kunstwerk. Een van de eerste ontwerpschetsen dateert uit 1956-57, toen LeWitt op het architectenbureau van I.M. Pei werkte. “Ik leerde daar meer ruimtelijk denken, ook al was ik als grafisch ontwerper ingehuurd voor de bewegwijzering van een winkelcentrum.” Sommige werktekeningen vol berekeningen of krabbeltjes zijn echter zonder uitleg of enige kennis van het oeuvre van de kunstenaar niet gemakkelijk leesbaar. De informatie in de catalogus is in dit opzicht veel te summier. Zo blijft het in een aantal gevallen onduidelijk of het nu een voorstel betreft voor een structuur of voor een muurtekening. “Er bestaat een hecht verband tussen al deze dingen omdat ik er tegelijkertijd mee bezig ben”, zegt LeWitt. “Het ene ding leidt tot het andere. Het springt van twee naar drie dimensies en weer terug.”

Idee

Tijdens ons gesprek is de opbouw van de tentoonstelling nog in volle gang. Een groot gedeelte van de tekeningen staat ingelijst tegen de wanden en de schetsen die LeWitt voor de inrichting van de tentoonstelling maakte, slingeren achteloos op de grond. De mogelijkheid dat ze op een volgende expositie naast zijn ontwerp voor de catalogus en het bulletin van het Stedelijk Museum (1984) zullen hangen, sluit hij niet uit: “Dat is een idee, wie weet”, zegt hij lachend.

Toch stuiten we hier op een probleem. Bij een tweede bezoek aan de voltooide tentoonstelling die 400 tekeningen omvat, wordt het zelfs de doorgewinterde liefhebber vaak te machtig. “Alle stappen in een proces dat leidt tot een kunstwerk - krabbels, schetsjes, tekeningen, mislukte werken, modellen, studies, gedachten, gesprekken - zijn interessant”, schreef LeWitt in zijn Paragraphs. In deze tentoonstelling heeft hij dit concept tot het bittere einde - het ontwerp voor de catalogus bij deze expositie hangt er ook - doorgevoerd. Dit brengt hem in botsing met een andere uitspraak in de Paragraphs: “Maar er is geen reden om aan te nemen dat de conceptuele kunstenaar uit is op het vervelen van de toeschouwer.” Dat geloof ik graag en misschien kun je het een kunstenaar niet kwalijk nemen dat hij alles wil laten zien. Maar hadden de conservatoren van het museum hem niet voor dit gevaar kunnen behoeden?