Het geheim van de Niederlandische Welle; Regisseurs uit de lage landen in Duitse theaterfabrieken

Waarom zoeken Duitstalige theaters met Nederlandstalige regisseurs? Kunnen wij iets dat zij niet kunnen? En wat is dat dan? Een ding is zeker: twintig jaar geleden was het precies andersom. Toen keek de Nederlandse toneelwereld jaloers naar het vernieuwende Duitse theater. Wat kunnen Nederlandse regisseurs nu van de Duitsers leren?

Claus Peymann zit in de zaal! Het was een verrassing voor de spelers van Art & Pro uit Amsterdam op een maandagavond ineens de directeur van het Weense Burgtheater tussen de vijftig toeschouwers te ontdekken, gekomen om Yvonnevan Gombrowicz te zien. Er ging diezelfde avond nog een telefoontje naar de jonge Vlaamse regisseur Guy Joosten om hem van het hooggeplaatste bezoek op de hoogte te stellen. Een seizoen later deed hij zijn eerste regie in Wenen, Nacht, moeder van de dag van Lars Norén.

Dramaturgen van het Burgtheater - en dat zijn er zo'n tien - reizen Nederland en Vlaanderen af op zoek naar nieuwe talenten. Guy Joosten stond op hun verlanglijst. Ook verschillende Duitse theaters zagen iets in de Vlaamse regisseur, tien jaar geleden een der oprichters van het gezelschap De Blauwe Maandag Compagnie. Nu is Guy Joosten tot 1996 Oberspielleiter van het Hamburgse Thalia Theater.

Twee weken geleden ging bij het Staatstheater Mainz Der jüngste Tag in première van öOdn von Horváth. Regie: Antoine Uitdehaag, tot voor kort artistiek leider van het Ro Theater. Regisseur en leider van toneelgroep De Appel, Erik Vos, ensceneert sinds halverwege de jaren zeventig om het jaar een regie in Düsseldorf.

Zoeken Duitstalige theaters met opzet Nederlandstalige regisseurs? Gaat het om een stijl waarin het theater hier uitblinkt, misschien zonder dat we het zelf weten? Het Burgtheater antwoordt terughoudend op mijn vraag. “We horen weleens wat," zegt een dramaturge aldaar. Ik stel me haar voor ergens hoog verscholen in dat pompeuze, machtige gebouw aan de Weense Ring, het bolwerk van het Oostenrijkse theater waar Thomas Bernhard zoveel giftige woorden aan wijdde. “Nee, het gaat ons niet om een bijzondere stijl. Guy Joosten is interessant als mens en als regisseur. We gaan ook op zoektocht in andere landen. Het nadeel is alleen dat Fransen, Italianen of Engelsen geen Duits spreken... en dat is toch wel een voorwaarde.”

Er is natuurlijk meer te zeggen over de belangstelling van de andere kant van de grens, terwijl het zo'n twintig jaar geleden juist andersom was. Elke zichzelf respecterend Nederlands regisseur had toen een abonnement op het toonaangevende tijdschrift Theater Heute of was een bewonderaar van regisseurs als Peter Zadek, Peter Stein of Claus Peymann. Nu duiken diezelfde regisseurs onaangekondigd op tussen het door-de-weekse publiek.

Ziel

Eén ding is zeker: de grenzeloze fantasie en de daadkrachtige vernieuwing van het Duitse theater uit het begin van de jaren zeventig is allengs verdwenen. De klassieken werden eertijds afgestoft en in gloedvolle ensceneringen gestoken. Daarna heeft de Tüchtigkeit van de Duitse dramaturgie een steeds hogere vlucht genomen, met de nadelige gevolgen van dien. Om in de woorden van Guy Joosten te spreken: “Duitse voorstellingen van nu worden uitgebeend, kapotgedacht, doodgedramaturgiseerd. De doem van een concept ligt erover. Ze zijn prachtig gedecoreerd, maar zonder ziel. Mijn toneel is levendiger, wil juist de de lust tot leven uitdrukken. In het Duitse theater is geen ruimte om te dromen, utopieën, emoties en verwachtingen te tonen.”

De strengheid waarmee voorstellingen worden uitgedacht, schuilt ook in de structuur van de gezelschappen. Eigenlijk zijn het toneelmachinerieën die voorstelling na voorstelling uitbrengen. Toen Erik Vos in Düsseldorf Shakespeare en Molière deed, speelden enkele van zijn acteurs tegelijkertijd in vijf andere voorstellingen. Er stonden daar zeventien voorstellingen op het repertoire, uitgevoerd door zo'n honderddertig acteurs en mogelijk gemaakt door zeshonderd medewerkers.

In de theaterfabrieken heeft Erik Vos dezelfde ervaringen als Guy Joosten of Antoine Uitdehaag: “Binnen zo'n groot gezelschap moet je je eigen kleine groep van spelers vormen. De concurrentiestrijd is groot. Zo'n log apparaat stelt je voor de meest bizarre situaties. In Düsseldorf is er een inspeciënt voor de linkerhelft van het toneel en een voor de rechterhelft. De troon van King Lear stond in het midden. Geen van tweeën kon ik ertoe bewegen de verantwoordelijkheid ervoor te dragen. Of de rode sjaal van Lear. Die moest op de Bühne liggen voor aanvang van de voorstelling. Dat kan niet. Kostuums horen niet op de speelvloer. Rekwisieten wel. Dus werd uiteindelijk door de hoogste instantie van het theater beslist dat de sjaal een half uur voor aanvang van kostuum in rekwisiet veranderde.”

Wat de Nederlandse regisseurs gemeen hebben is dat ze allen een gezelschap hebben geleid of nog leiden. Daarin kon weleens het geheim van de Niederländische Welle schuilen. Vele jaren ervaring met De Appel, de Blauwe Maandag Compagnie of het Ro Theater stelt hen in staat acteurs aan zich te binden en met hen een hecht ensemble te vormen. Zij nemen die kennis en ervaring mee van Nederland naar Duitsland. Ofschoon het moet wemelen van jonge regisseurs in een land als Duitsland met zo'n rijke theatertraditie, stranden diezelfde jonge regisseurs snel. Vaak zijn ze te academisch gevormd of hebben jaren van assistentschap achter de rug, zonder dat ze in staat werden gesteld zelf een voorstelling te maken. Bovendien weegt de erfenis van Stein, Zadek, Peymann en zoveel anderen zwaar op hun schouders. Daar hebben hun Nederlandse collega's in elk geval geen last van.

“Het is heel eenvoudig,” zegt Guy Joosten. “Het zegt niemand in Hamburg of Wenen iets dat ik tien jaar Blauwe Maandag Compagnie achter de rug heb. In die tijd heb ik wel geleerd voorstellingen helder te maken. Een duidelijk verhaal te vertellen aan de toeschouwer. Dat moest in België, anders bleven de zalen leeg en misten we onze inkomsten. Het ironische dat zoveel toneel in Noord-Nederland aankleeft, is voortgekomen uit de riante subsidies daar. Maar ik wil geen toneel maken met een knipoog. De jonge regisseurs in Duitsland lijden aan een Profilierungsneurose: ze willen per se oorspronkelijk zijn, en daardoor gaat hun aandacht uitsluitend uit naar hun eigen werk. Dat geldt ook voor het Nederlandse toneel. Ik moet bekennen dat ik bang ben voor de zwijgende massa, die misschien in het geheim sympathie heeft voor de rechts radicalen. Die mensen komen naar onze voorstellingen in Hamburg kijken. De deceptie over de Duitse eenwording is zo verschrikkelijk snel na de aanvankelijke uitgelatenheid gekomen. In het voormalige Oost-Duitsland zijn de theaters leeg. Sinds de eenwording te duur geworden. Bovendien zijn ze beroofd van hun maatschappelijke betekenis. Ik hoorde iemand in wanhoop uitroepen: "Zet in godsnaam die Muur weer terug.' ”

Bravo

Het theater in Duitsland is iets dat erbij hoort. Het is een wezenlijk bestanddeel van de cultuur. Afgelastingen komen niet voor. Dat zou van amateurisme getuigen en van gebrek aan vertrouwen in zowel de toeschouwers als de acteurs. Na de première van Der jüngste Tag in de regie van Antoine Uitdehaag klonk er ineens vanuit verschillende plekken in de zaal uitbundig boe-geroep, afgewisseld met het bravo van anderen rijen. Mainz was verdeeld. Volgens de dramaturg van de produktie kwam dat omdat de voorstelling gemaakt was door een Nederlander en niet door een Duitser. De regie van Uitdehaag was bijzonder on-Duits. Zijn acteurs speelden Horváth met een subtiele eenvoud en een oprechte emotionaliteit, die niet bijster stroken met dwingende concepten. De uitvoering was los en open, geconcentreerd op de innerlijke verwarring en ontluistering van de hoofdpersonages.

Voor Duitse acteurs heeft het iets van een bevrijding te werken met Nederlandse regisseurs die niet gebukt gaan onder de loodzware, eeuwige Duitse thematiek. Antoine Uitdehaag vertelt evenals Guy Joosten een verhaal; hij wantrouwt regisseurs die geen geloof hebben in het stuk dat ze ensceneren en die bij een stuk uit deze eeuw "wat uit een klassieke tragedie of wat dan ook' gooien. Uitdehaag: “Ik ben wel onder de indruk geraakt van de Duitse theatertraditie. Goethe, Schiller, Kleist, Brecht staan voortdurend op de planken. Pas nadat je hier hebt gewerkt, word je met terugwerkende kracht wrevelig over de Nederlandse minachting en schamperheid voor de eigen toneeltraditie. Toen wij bij het Ro Theater Op hoop van zegen gingen opvoeren, oogsten we uitsluitend negatieve reacties. Ik wilde opnieuw The Family uitbrengen. Dat stuk is meer dan twintig jaar niet gespeeld. Opnieuw schamperheid. Ik durf te wedden dat 95% van de bezoekers nooit de oude versie heeft gezien. In Duitsland is deze minachtende houding ondenkbaar.”

Ambacht

Maar hoe is dat nu, te werken met acteurs die tegelijkertijd in andere voorstellingen staan? Voelen die nog verantwoordelijkheid voor de produktie? Dat is misschien een erg Nederlandse vraag. Elke regisseur die in Duitsland heeft gewerkt zal kunnen beamen dat het vakmanschap er groot is. Acteurs kennen hun tekst vanaf de eerste repetitie. Er wordt niet eindeloos gekletst en koffie gedronken uit plastic bekertjes, zoals vaak in Nederland, maar meteen op de vloer gespeeld. Ze willen alles weten. Waar kom ik vandaan, waarom doe ik dit, waarheen ga ik? Stanislavski ten voeten uit.

Erik Vos werkt nog altijd in Nederland; Antoine Uitdehaag gaat ook elders in Duitsland regisseren maar laat Nederland niet links liggen. Guy Joosten blijft nog vier jaar in Hamburg. Erik Vos maakt zich van die drie dan ook het meest zorgen over de toekomst van het Nederlandse toneel. “Als ik hier een acteur auditie laat doen van bij voorbeeld Shakespeare, dan geloof ik mijn ogen niet. Het is net als penalty in het voetbal. De een heeft op de Toneelschool nooit kennis gemaakt met Shakespeare, de ander heeft geen voetbalschoenen aan en de derde schiet in eigen doel.”

Voor Duitsland is de combinatie dus ideaal: een regisseur uit de Lage Landen met een voorkeur voor losheid, levenslust, voor theater zonder Duitse ernst. En acteurs die hun vak verstaan. Nederland kan dus wel iets leren van gene zijde van de grens. Niet via Theater Heute, maar dank zij regisseurs die in Duitsland gewerkt hebben met een ander soort acteurs en die, verrijkt, naar Nederland terugkeren.