Geen enkel meisje is zo lief als een hond; Roman van Patricia de Martelaere

Patricia de Martelaere: De staart. Uitgeverij Meulenhoff. 143 blz. Prijs: ƒ 29.90.

Zou je van honden moeten houden om De staart, de nieuwe roman van Patricia de Martelaere ten volle te kunnen waarderen? Het is een vraag die zich soms even opdringt, omdat er zoveel honden in voorkomen: de sint-bernard, de collie, de golden retriever, de Ierse wolfshond, de dobermann pincher, de Duitse herder, de poedel, de karabash, de bulldog, de rottweiler en de mopshond. Maar nee, ik geloof niet dat de ideale lezer van al deze rassen hoeft te houden. Voor de hond is een interessante bijrol, maar zeker geen hoofdrol weggelegd. De titel, De staart, geeft al een indruk van zijn relatieve belang voor de roman.

Vooral die ene, aan de hond toegeschreven eigenschap is hier in het geding: zijn trouw, zijn volgzaamheid, zijn grote loyaliteit aan wie zich zijn baas noemt. Op het omslag is een ontroerende hondekop te zien, van Goya. De hond dreigt bedolven te raken onder een beangstigende zandvlakte en kijkt verwachtingsvol en smekend uit naar een onzichtbare baas die, maar dat vertelt het schilderij niet, hem misschien wel lelijk in de steek heeft gelaten.

De staart gaat over hondetrouw, en meer in het bijzonder over de hondetrouw van het jongetje Theo, dat niet veel anders zou willen zijn dan een eeuwige metgezel, een onbevangen en springerige meeloper. Een vriendje noemt hem ”mijn staart', omdat Theo hem altijd maar volgt. Ook in een ander opzicht is dit een goede benaming voor de jongen, die liever achterom kijkt, naar zijn staart als het ware, dan fier vooruit. Hij is niet gericht op de toekomst, op groot worden, maar prefereert kind te blijven, met alle kinderlijke onschuld vandien. Een gewonde duif die verschrikt reageert op zijn liefdevolle toenadering, spreekt hij geruststellend toe. “Mensen eten geen duiven, zegt Theo (-), maar meteen daarna vraagt hij zich af of dat wel zo is, mensen eten bijvoorbeeld ook slakken en kikkerbillen, hij weet het zelf niet zeker of ze wel geen duiven eten. En hoe dan ook, zegt hij, ik ben nog geen mens, ik ben een kind en ik maak geen dieren dood.”

Er zijn veel boeken geschreven over opgroeiende, gevoelige jongetjes, die niet goed raad weten met het leven. Maar het bijzondere van dit verhaal is wel dat het niets weg heeft van een traditionele ontwikkelingsroman. Theo ontwikkelt zich eenvoudigweg niet. Hij weigert zich te bezinnen op ”later'. Als kleuter weet hij het al: “Hij wil niets worden, hij wil met niemand trouwen, geen enkel meisje is lief genoeg, geen enkel meisje is zo lief als een hond.” En als hem na zijn eindexamen wordt gevraagd of hij weet wat hij zal gaan doen, antwoordt hij: “Nee (-), ik doe niets graag en ik kan ook niets.”

Opmerkelijker nog dan de inhoud, is de vorm van de roman, waarin de klassieke eenheid van tijd en ruimte ver te zoeken is. Verschillende tijden en situaties lopen vloeiend in elkaar over. Een droogkomische werking gaat uit van de ingelaste passages uit naslagwerken over honden, waarin op belerend-vriendelijke toon tekst en uitleg wordt gegeven over verschillende rassen en hun kenmerken. Veel adempauze vergunt Patricia de Martelaere haar lezers niet: hoofdstukken, alinea's en witregels ontbreken. In een doorgaande, associatief geordende gedachtenstroom is Theo nu eens zes, of dertien, dan weer tien, of achttien jaar oud. Het ene moment is hij wanhopig op zoek naar zijn konijn Kobe, terwijl hij het volgende in een slecht zittend kostuum de trouwplechtigheid van zijn zus bijwoont, in de stromende regen kampeert in de Elzas of zijn laatste, ongemakkelijke schooldag beleeft. Het gekke is dat deze zeer diverse en fragmentarische gedachtenstroom, waarin praktisch niets wordt verhelderd of uitgelegd toch heel goed te volgen is en, belangrijker nog, nergens zijn intimiteit verliest. Echt somber zijn die gedachten niet, maar wel zijn ze doortrokken van een prettig soort melancholie.

Vergeleken met De Martelaere's eerdere romans, is De staart opvallend zachtaardig van toon en karakter. Nergens vertoont het verhaal ook maar een spoor van de hoekigheid van De schilder en zijn model (1989), een verzameling kortaangebonden observaties en dialogen over de onmogelijke liefde tussen een man en een vrouw. In haar vorige roman, Littekens (1990), die twee jaar geleden genomineerd werd voor de AKO-literatuurprijs, ging het er ook al weinig vriendelijk aan toe, tussen geliefden en tussen ouders en kinderen.

De staart speelt zich af in een soort voortijd, waarin het kind naar eigen zeggen nog geen ”mens' geworden is. De wereld ziet er hier nog niet zo groot en boos uit. Er zijn geen gevaarlijke gekken in Theo's omgeving en hij wordt niet gepest of geslagen. Een enkele keer wordt hij ruw behandeld, maar in het algemeen is er veel sympathie en begrip voor zijn gevoelige inborst. Mooi en ontroerend is het dialoogje dat hij met zijn moeder heeft over de door hem zozeer begeerde hond. “Ze sterven, zegt mama. Ze worden ziek en ze gaan dood, en dan heb je verdriet. Ze sterven niet meteen, zegt Theo. En mensen sterven immers ook. Ze sterven veel te snel, zegt mama, honden.” Niet alleen deze moeder, maar bijna alle mensen met wie hij in aanraking komt, een pianojuffrouw, zussen, zwagers, grootouders, klasgenoten en leraren, hebben het beste met hem voor. Zelfs zijn stoere vriendje Pieter dat alles durft en hem maar een mietje vindt, betuigt hem op een beslissend moment zijn liefde: “En dan slaat Pieter zomaar zijn arm om zijn schouders en zegt vastberaden (-): Ik speel alleen nog met jou, jij bent mijn beste vriend.”

De staart is vooral zo'n innemende en overtuigende roman omdat De Martelaere haar toevlucht niet hoefde te nemen tot grove middelen om het lijden van de jonge Theo kracht bij te zetten. Het zijn de normale ontgoochelingen die hem ten deel vallen. Net als elk mensenleven staat ook het zijne in het teken van het afscheid: van een konijn dat doodgaat, van een hond die overreden wordt, van een zus die trouwt, van een vriendschap die verloopt, van zijn moeder die sterft. Niet in de laatste plaats moet hij afscheid nemen van de tijd zelf, die maar voortgaat en hem langzaam maar zeker berooft van zijn kinderlijke onschuld. “Groot worden”, zo stelt hij zich voor, “is niet meer iemands vriend willen zijn, is niet meer willen wat je toch niet kan krijgen.”

Juist het feit dat zijn lijden zo van alle mensen en alle tijden is, maakt zijn hondetrouw aan zijn jeugd zo smartelijk.