Eetbare knikkers.

Omdat mijn vriend Jan jarig was, aten we raasdonders. Jan is namelijk dol op raasdonders.

Toen we uitgegeten waren, ging de bel. Voor de deur stond een pikzwarte jongen met een plastic zak in zijn hand. Hij had exotische kleren aan. Zijn lange katoenen jak plooide rond zijn lichaam. Het jak was saffraangeel en bedrukt met blauwe en rode paradijsvogels. Het haar van de jongen was gedeeltelijk weggeschoren waardoor het leek alsof hij een zwartharen petje op zijn kruin had gezet. “Jan, kom eens hier. Er is visite voor je”, riep ik. Jan begroette de jongen hartelijk.

“Wat leuk dat je op mijn verjaardag komt, want ik ken je helemaal niet”, zei Jan.

“Ik ben Kieliam en ik ben verteller. Mag ik hier een verhaal komen vertellen? Het kost maar zes gulden negentig per uur. Maar u moet wel met gepast geld betalen want ik heb geen dubbeltje terug”, zei de jongen.

“Kom maar binnen”, zei Jan.

De jongen ging aan tafel zitten en zette de plastic tas naast zich neer op de grond. “Zeg maar wanneer ik moet beginnen”, zei de jongen terwijl hij begerig naar de schaal met etensresten keek die nog op tafel stond.

“Wil je een hapje raasdonders?” vroeg ik aan de jongen.

“Ik heb wel honger maar als de zee raast en de hemel dondert krijg ik geen hap door mijn keel”, zei de jongen.

“Raasdonders is maar een naam. Voor capucijners met uitgebakken spekbrokjes hoef je echt niet bang te zijn”, zei ik. De jongen boog zich over de schaal en bestudeerde de inhoud langdurig. Daarna prikte hij met zijn vinger in een capucijner. “Je kan ze eten, ze zijn zacht”, zei de jongen. “Maar voor ik ze opeet, ga ik mijzelf wassen. Kan dat ergens ?”

De jongen verdween in de badkamer. We hoorden het bad vollopen en daarna bleef het stil. Na een hele tijd verscheen de jongen weer in de kamer waar hij meteen aanviel. Hij schrokte de raasdonders naar binnen alsof hij in geen dagen gegeten had. “Zal ik nu gaan vertellen?” vroeg de jongen toen zijn bord leeg was. Hij pakte een dik boek uit de plastic zak en begon hakkelend voor te lezen: “Gekookte en afgespoelde havervlokken worden door vele vissen gaarne gegeten. Een goed hulpvoedsel in de winter voor vele vissen is magere gekookte ham en pas vervelde meelwormen. Men mag niet voeren: brood, koek, miere-eieren en gekookte aardappels...”

“Wat is dat voor een boek?” vroeg Jan.

“Ik heb het in een doos bij de vuilnis gevonden”, zei de jongen terwijl hij het boek aan Jan overhandigde. Het boek heette Het grote Aquariumboek.

“Wel een handig boek”, zei Jan terwijl hij er doorheen bladerde. “Ik lees hier dat je met een schijfje knolraap pantoffeldiertjes kan fokken. Zullen we een pantoffeldiertjes-fokkerij beginnen? Ik weet wel een naam, Pantoffeldiertjes-fokkerij BEJA, genoemd naar Betty en Jan.”

“Ik vertel liever Afrikaanse sprookjes”, zei de jongen. “Maar de mensen luisteren er toch niet naar. Als ik vertel, blijven ze intussen gewoon naar de televisie kijken. Ze merken het niet eens als ik midden in het verhaal stop. Daarom vertel ik alleen nog over die stomme vissen die magere gekookte ham eten.”

“Gelijk heb je”, zei Jan.

“Het uur is om, ik denk dat ik maar weer eens ga”, zei de jongen.

“Ga je naar huis?” vroeg ik.

De jongen keek naar de grond en haalde zijn schouders op. “Waar woon je?” vroeg ik.

“In Enschede”, zei de jongen.

“Dat is een heel eind weg”, zei Jan.

“Ik ben al drie maanden niet thuis geweest”, zei de jongen. “In ons huis logeren allemaal ooms en tantes die uit Duitsland zijn gevlucht. Daar zijn huizen in brand gestoken van zwarte mensen. Er zijn ook zwarte mensen dood gemaakt. Maar mijn moeder heeft geen geld genoeg om voor iedereen eten te kopen. Ik spreek Nederlands, ik ben hier op de lagere school geweest en daarom kan ik nu geld verdienen als verteller.”

“Hoe oud ben je?', vroeg ik.

“Veertien” , zei de jongen.

“Wil je hier slapen?” vroeg ik. De jongen knikte. Toen ik de volgende dag op de deur van de logeerkamer klopte, kreeg ik geen antwoord. Ik opende de kamerdeur en keek naar binnen. Het bed was leeg. De lakens en dekens waren er afgehaald en lagen op een keurig stapeltje. Boven op het stapeltje lag een heel mooie tekening van een vogel. Er stond op geschreven: “Dit is een paradijsvogel. Ik heb nog nooit een paradijsvogel in het echt gezien maar het is de mooiste vogel die er bestaat. Raasdonders zijn lekker, het zijn eetbare knikkers. Ik hoef geen geld voor het vertellen, hoor. Nog wel bedankt en groeten van Kieliam.”

    • Betty van Garrel