Een monument voor het vraagteken; De dodelijke ironie van Peter Esterhazy

Peter Esterházy: Kleine Hongaarse pornografie. Uitg. Prometheus. 211 blz. Prijs: ƒ 39,90

Kleine Hongaarse Pornografie is het tweede boek van de Hongaarse schrijver Péter Esterházy, dat in het Nederlands vertaald is. Wie op grond van de titel verwacht dat hier sprake is van een aantal wulpse verhalen uit Midden-Europa, geschreven na 45 jaar verplichte communistische kuisheid, komt bedrogen uit. Want Esterházy geeft het begrip pornografie een heel eigen definitie. Behalve het verbodene, de vieze boekjes in de jaren vijftig onder de toonbank van de sigarenwinkelier, verstaat hij onder pornografie ook de perversiteiten van het socialisme in Hongarije na de Tweede Wereldoorlog en het verbod om over die politieke pornografie te spreken of te schrijven in het toenmalige Hongarije.

Beide taboes wekken de onbarmhartige spotlust van Esterházy op. Hij behandelt ze in vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk laat hij een reeks copulatiegewillige vrouwen aan een vriend van de schrijver voorbijtrekken, die allemaal hun seksueel gefrustreerde hart bij hem uitstorten. Een buurvrouw, die almaar droomt van successen als naaktdanseres, een wellustig blondje, dat hem raad vraagt hoe zij haar intellectuele echtgenoot, die zijn neus alleen maar in de boeken steekt, weer een echtelijke erectie kan bezorgen en het mooie arbeidersmeisje, dat hem vertelt van een bezoek aan een apparatsjik en hem opbiecht dat haar eerste geslachtsgemeenschap zo'n pijn veroorzaakte dat ze nooit meer een tweede wenst.

De mislukte vrijpartij als metafoor voor de mislukte revolutie gebruikt Esterházy als overgang naar het tweede hoofdstuk over de politieke pornografie. Daarin zijn Mátyás Rákosi, de stalinistische zetbaas van de Sovjet-Unie tussen 1948 en 1955, en zijn hofhouding het doelwit van Esterházy. Hij laat partijleider Rákosi als smokkelaar "met enige kilo's kaarsen, suiker en koffie, jeans en een computertje' de grens "tussen de Sovjet-Unie en Hongarije oversteken. Intussen zitten hoge partijbonzen in luxe, van de buitenwereld afgesloten kuuroorden piemelnaakt meisjes achterna: “Aldus trachtte de volksrepubliek zich enigszins te revancheren voor wat trouwe volgelingen voor haar over hadden gehad.”

De landen van Midden- en Oost-Europa waren zwijgzame landen tot 1989. Op de alomtegenwoordige dreiging van de vragen van de geheime politie werd gereageerd met zwijgen. Toegevoegd aan hamer en sikkel is het vraagteken het symbool dat misschien het dichtst in de buurt komt van het wezen van het totalitaire communisme. In het derde hoofdstuk richt Esterházy een monument op voor dit leesteken. Vijftig pagina's lang eindigt hij iedere zin, wel of niet in vragende vorm, met een vraagteken. Wie het leest voelt iets van de woekering van dit oncologische leesteken in handen van op hol geslagen dienstkloppers en begrijpt wellicht meer van de gevolgen dan waartoe een wetenschappelijke studie over de macht van de geheime politie toe in staat is.

Het laatste deel van het boek geeft hij als titel Stalins definitie van schrijvers: ingenieurs van de ziel. Hier wordt de invloed van het reëel bestaande socialisme op de schrijver en zijn woorden geschetst. Onder het hoofdje Vox Humana, dat Esterházy in een latere druk toevoegde, maar niet aanwezig in de de op de eerste druk gebaseerde Nederlandse vertaling, drukt hij de essentie van die invloed in een zin uit uit: “De grootste zonde van dit systeem, ons systeem, is dat het het menselijke woord uit de meest verschillende gebieden verdreven heeft.” Wellicht omdat volgens hem het systeem de schrijver zijn woorden heeft afgepakt, schrijft hij zijn boeken op een onconventionele, soms hermetische wijze. Net als in zijn boek "De hulpwerkwoorden van het hart', mengt hij, zonder bronvermelding, door zijn eigen tekst, citaten van Wittgenstein, Handke, Kundera en Borges. Maar nog meer dan dat boek is dit verhaal vol plotselinge invallen, associaties en onlogische verhaallijnen. Hij schrijft zoals Picasso schilderde, die mond, neus en ogen tegelijkertijd vanuit een verschillend perspectief toonde. Hij probeert door te dringen tot de diepere, minder rationele lagen van het bewustzijn van de lezer. Esterházy lezen heeft veel overeenkomsten met het kijken naar een abstract schilderij: op het eerste gezicht is het ontoegankelijk, maar bij nadere beschouwing zegt het meer over de werkelijkheid dan menig figuratief schilderwerk.

Het is een intrigerende vraag waarom dit boek in 1984 de Hongaarse censuur kon passeren en officieel in Boedapest verscheen, terwijl de boeken van Konrád in die tijd verboden waren. Want in veel opzichten ondermijnt dit boek van Esterházy door zijn ironie het systeem van toen meer dan het werk van Konrád. Esterházy aarzelt niet her en en der door de tekst ineens het woord zelfcensuur te plaatsen. Regelmatig zet hij de dodelijke ernst van het systeem, waar niets mag en alles moet, te kijk door het letterlijk te citeren. Zo slaat de dodelijke ernst van het Oosteuropese jargon op slag om in dodelijke ironie. Zoals het motto van het boek dat Esterházy uit het instructieboekje van de Trabant haalde: “De wegligging van de Trabant is voortreffelijk en zijn acceleratie onberispelijk. Dit mag de weggebruiker nochtans niet tot enige roekeloosheid verleiden.”