Een irritant onberispelijke politieman; Dappere roman van John Miles

John Miles: Kroniek uit die doofpot. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens. Uitg. Amber, 302 blz. Prijs ƒ 39,90.

Er zijn heel wat schrijvers die hun lezers graag laten weten hoe ze hun boek hebben geschreven. Ze willen duidelijk maken wat de problemen zijn geweest, welke technieken ze hebben overwogen of wat hun bedoelingen waren. Ze doen dat door middel van ingebouwd commentaar zoals Huxley in Point counter point en Du Perron in Het land van herkomst, of ze geven naderhand een verslag zoals Gide met Le journal des faux-monnayeurs en Thomas Mann met Entstehung des Dokter Faustus, of ze publiceren zelf een analyse van de manier waarop het verhaal gegroeid is zoals William Sansom in The birth of a story en onlangs nog Willy Spillebeen in De schreeuw van de bunzing.

De Zuidafrikaanse schrijver John Miles doet nu iets dergelijks; in zijn Kroniek uit die doofpot beschrijft hij het leven en de dood van een zwarte politieagent en wisselt de verhalende hoofdstukken steeds af met stukken waarin hij verantwoording aflegt over wat hij schrijft en verslag doet van zijn onderzoek naar de feiten.

Op het eerste gezicht mag dat procédé wat overijverig lijken, maar al gauw blijken die stukken, soms bespiegelend en soms detectiveachtig, de roman een dimensie te geven die ik niet graag had gemist. Niet alleen schept Miles zich op deze manier de gelegenheid om feit af te wegen tegenover fictie, maar door allerlei mensen uit zijn eigen omgeving commentaar te laten geven op de lijdensweg van Tumelo John Moleko presenteert hij als het ware een ooggetuigeverslag van de enorme afstand die er nog bestaat tussen de goede wil van liberale Zuidafrikaners en de macht waarover de autoriteiten beschikken. Bovendien voegen de commentariërende hoofdstukken verschillende trekjes toe aan het beeld van Tumelo dat in de vertellende hoofdstukken wordt opgeroepen.

Miles typeert de persoonlijkheid van Tumelo als die van “de spreekwoordelijke gewone man die dacht dat het leven een vuurtje was om je aan te warmen.” Hij kwam uit een familie van arme landarbeiders en wilde van jongs af bij de politie, niet om te knokken maar om de orde te bewaren. “Niemand kan doen en laten wat hij wil, er moet orde zijn en aan die kant wil ik staan”, zo dacht hij. Al houdt hij er niet van geconfronteerd te worden met rellen en opstanden, hij doet braaf zijn werk en geldt als een voorbeeldig politieman. Voor wat er op het bureau gebeurt is hij tamelijk ongevoelig. Als er iemand zodanig verhoord wordt dat hij onherkenbaar is geworden, reageert hij alleen met "zo erg?'

Tumelo's grote fout is dat hij denkt dat elk mens recht heeft op recht. Dat er een recht van de sterkste bestaat, wil hij niet erkennen. Als hij zelf door een blanke kolonel mishandeld wordt en uitgescholden voor kaffer, vraagt hij om zijn recht en eist hij dat het onrecht ongedaan wordt gemaakt. Hij dient een aanklacht in en loopt er alle instanties mee af. Dat macht het gaat winnen van recht, dringt pas heel langzaam tot hem door. Zijn starre volhouden heeft iets multatuliaans, evenals zijn onafgebroken hameren op zijn "onberispelijke staat van dienst'. Ook als de irritatie van de autoriteiten zo groot wordt dat ze de zaak gaan omdraaien en hem ervan beschuldigen de kolonel met zijn revolver bedreigd te hebben, blijft hij doorgaan, koppig op zoek naar het recht. Om van het gedonder af te zijn laat de politie hem vermoorden.

Miles doet geen enkele poging om Tumelo te idealiseren. Hij maakt er geen geheim van, al zegt hij het niet met zoveel woorden, dat hij Tumelo zowel slim als onhandig vindt, uitgeslapen en tegelijk naëf en behept met een beperkt verstand. Dat doet aan de tragiek van zijn leven niets af en maakt zijn aandringen op recht niet minder rechtmatig. Miles uit geen kritiek op Tumelo's afzijdigheid van de doelstellingen van de zwarte bevolking ook al laat hij in verscheidene scènes zien dat veel zwarten niets van hem moeten hebben. Het oordeel over Tumelo's gedrag laat hij aan de lezer over. Hij onthoudt zich ook geheel van beschrijvingen van geweld en bewijst daarmee eens te meer dat suggestie een sterkere indruk kan nalaten dan een expliciet verslag. De laconieke stijl die precies past bij de houding van Miles tegenover zijn hoofdfiguur, wordt af en toe verlevendigd door emotionele uitschieters als: “officiële brieven in een blafstijl om doof te worden”, en “zonder uniform leek Van Niekerk op een zak kuilvoer.” Miles' Kroniek is een boeiend en dapper boek dat een aspect van Zuid-Afrika laat zien dat in de literatuur niet vaak aan bod komt, en dat ook nog zo actueel is als vandaag, want wat zegt de blanke politieofficier Welgemoed: “,De Zoeloes en wij, wij zullen dit land voor mekaar krijgen.”

Zonder het origineel erbij kan ik over de vertaling zeggen dat hij zich laat lezen alsof het boek in het Nederlands was geschreven. Alleen begrijp ik niet waarom het woordje "die' in de titel is blijven staan.

Er is nog iets vreemds. De Afrikaanse tekst wordt blijkbaar besloten met drie stukjes in het Engels; een krantebericht over de dood van Tumelo, een brief van de staatsprocureur en een briefje van een kolonel van de politie. Ze worden hier alle drie in het Engels afgedrukt, met alleen een vertaling van het eerste en het derde stukje, allebei in keurig Nederlands. Het briefje van de kolonel is echter in zulk erbarmelijk en lachwekkend Engels gesteld dat het duidelijk deel is van de karakterisering van de politie. Door het keurige Nederlands wordt dit effect totaal ontkracht.