Des Knaben Wunderhorn

Vele lange jaren geleden ben ik eens begonnen aan een Repertorium der gewaarwordingen verbonden aan het bezit van een mannelijk geslachtsorgaan, ten behoeve van hen die er niet een bezitten; ik was getroffen door de vaagheid en onjuistheid van de gangbare voorstellingen daarover en mijn bedoeling was een denkbeeld te geven van "what it is like to have one', ongeveer zoals dat gedaan wordt in Engelstalige werken van het genre "How to get on with your...' (muis, hamster, parkiet e.d.).

Aan deze onderneming werd ik herinnerd door de grote groepsfoto verschenen in het Cultureel Supplement van enkele weken geleden en het commentaar daarop, enkele dagen later, in de culinaire rubriek van Ileen Montijn. Op die foto was een aantal van deze zonderlinge organen te zien, in vijf rijen van tien; een staalkaart van "vijftig vriendjes', aldus Ileen Montijn; “ze hangen er rustig bij, oud en jong, vrijmoedig en verlegen, scheef en symmetrisch... geen twee zijn er hetzelfde - maar wie heeft het ooit met zo'n staalkaart kunnen verifiëren?”

Zo blijkt waar een verblijf in een mannenkamp goed voor is: op de wasplaats daar heb ik er, dag in dag uit, vele honderden mogen zien, een staalkaart vele malen groter en gevarieerder dan deze. Dagelijkse observatie leidt op den duur tot een soort patroonherkenning, zoals men na een verblijf van enkele weken in China of Japan begint te merken dat Aziaten volstrekt niet allemaal op elkaar lijken. Na verloop van tijd ontstaat zelfs een zeker vermogen om op grond van iemands uiterlijk en voorkomen voorspellingen of in elk geval educated guesses te doen omtrent dat verborgen onderdeel van de anatomie, zoals je ook leert onderkennen dat een bepaald type man een diepe stem zal hebben, of juist een hoger timbre.

Op grond van deze ervaring kan ik de verzekering geven dat de afgebeelde organen kennelijk niet met een oogmerk van variatie zijn gekozen, zoals ik ook in één oogopslag kan zien dat er geen sprake is van vijftig verschillende exemplaren (volgens mij bevat het tableau meermalen dezelfde, onder andere I:6 en IV:2; I:9 en V:8). Maar wat de afbeelding van deze vijftig feestneuzen niettemin weer bevestigt (in mijn ogen tenminste) is dat het mannelijk geslachtsapparaat, tenminste in deze slaapwandelaarsgedaante, een weinig florissante aanblik biedt. De overheersende indruk, die ook door gewenning niet wordt weggenomen, heeft wat mij betreft geen enkel aanknopingspunt met het vertederende waar Montijn van gewaagt. Muf, verregend, belachelijk, de best passende term is misschien het Engelse woord silly. Het is ook opmerkelijk dat dit het onderdeel van het menselijk lichaam is waarmee de figuratieve schilderkunst en vooral de beeldhouwkunst nooit goed raad heeft geweten; het belachelijke is blijkbaar door alle eeuwen heen zo aangevoeld en de klassieke oplossing heeft er steeds uit bestaan volwassen mannen van minuscule, pre-adolescente aanhangseltjes te voorzien - goedbeschouwd een absurde conventie, alsof op stillevens eeuwenlang één bepaalde vrucht opzettelijk veel te klein was weergegeven.

Preutsheid en zedigheid hebben er volgens mij niet veel mee te maken. Ik denk dat het komt door de associatie met een gezicht: een karikaturale neus met hangwangen; voorhoofdsloos, de ogen verscholen in een ongekamde krullebol, maar soms kijkt er een, uitpuilend en bijziend, uit het uiteinde van de neus; in bepaalde gevallen lijkt het meer een mondje met half uitgestoken tong. Het geheel heeft een mallotige uitdrukking waarin een maniakale uitgelatenheid en beteuterdheid met elkaar om de voorrang strijden.

Ook er vijftig bij elkaar zien is bevreemdend. Het valt op de dat de meeste naar rechts zijn gewaaid (dus naar links voor de eigenaars), net als de bomen op Bonaire door de Noord-Oostpassaat (wet van Buys Ballot). Bij elkaar hebben ze iets spookachtigs, met het bleke en krachteloze van iets dat gegroeid is in een licht- en zuurstofloze omgeving (hetgeen trouwens letterlijk waar is en heel evocatief wordt beschreven in een van de boeken van Ian McEwan). Ook is er iets dat herinnert aan die lugubere foto's van gefusilleerde fédérés uit de Parijse Commune en het is bijna onweerstaanbaar er passende bijschriften bij te verzinnen: "Gloire aux camarades tombés pour nos enfants'; "De heuvels rond Sodom en Gomorra nadat de wateren zich hadden teruggetrokken'; "De ongelijke groei der paddestoelen na het toedienen van 12+10+18'; "Comment fut retrouvée la célèbre collection de trophées du Musée de l'Homme après les inondations de 1912'.

Aardmannetjes

Het roept ook associaties op met individuen, kleine mensjes, appellerend aan de voorstelling van dwergen in sprookjes, rimpelige oude kabouters en verschrompelde aardmannetjes; wie weet is dat wel waar die voorstelling oorspronkelijk vandaan komt. Het heeft te maken met dat gerimpelde, dat uitgezakte en verkreukelde, i.e. de afwezigheid van tonus, van een gladde huid; dat maakt het ook hachelijk om aan de hand van foto's schattingen te maken omtrent de leeftijd van degene die er aan vastzit, zoals Ileen Montijn doet: “Er staan wel onooglijke exemplaren op de staalkaart,” schrijft zij, “daar niet van. Vooral een paar waarvan ik vermoed dat zij hoogbejaard zijn spreken mij niet zo aan.”

"La verge ne vieillit pas'. Wat hier goed van pas zou komen is mijn Repertorium, waarin de samenhang tussen uiterlijke vorm en afmetingen, de vorming van rimpels in de opperhuid en nederdaling van het bijbehorende klokkenspel gecorreleerd wordt aan ambiante temperatuur, luchtdruk en vochtigheid (e.g. koude douche), alsmede het uur van de dag en voorwaarden van fysiek ongemak. Oncontroleerbare contracties kunnen zich, zoals door onder anderen Saul Bellow is beschreven, voordoen onder invloed van zulke simpele uitwendige factoren, gezwegen nog van inwendige staten als angst, schrik, verlegenheid of dronkenschap, laat staan dwangmatige gedachten aan de jaloerse echtgenoot of het Lulsnijdersmannetje (cf. Gerard Reve). “Het prettigst om te zien zijn toch de grote jongens,” schrijft Ileen Montijn, en daar heeft zij ongetwijfeld gelijk in, maar het eigenaardige is dat die op dit jachttableau juist ontbreken. De op de wasplaats in het kamp altijd zoveel aandacht trekkende brandslangmodellen, om maar te zwijgen van kampioenen "gelijkend op een hand die een appel vasthoudt' (Terry Southern), zijn niet vertegenwoordigd - zomin als de ook wat zeldzamere exemplaren met een knik er in (Coudé du Foresto). Wat uitkomt boven de standaardmaat is hier vermoedelijk een gevolg van het feit dat ze van dichterbij zijn gefotografeerd.

"De grote jongens' - het blijft een teer punt. “De politiek correcte visie - dat het formaat onbelangrijk is,” schrijft Montijn, “heeft misschien vele ware kanten, maar als je toch de keus hebt, wat let je dan, nietwaar?”

Ziedaar de woorden die menige man de schrik om het hart doen slaan (en over de uitwerking daarvan had ik het al); die politiek correcte visie was hem toch al een object van knagende twijfel en deze formulering loopt angstwekkend parallel aan wat hij droomt dat hij zelf zou zeggen, bij de legendarische Uitdeling der Geslachtsorganen: "als het dan toch geen verschil maakt, geef mij dan maar een grote'. Salvador Dali vertelt in een van zijn boeken hoe hij als jonge collégien op zijn Spaanse internaat steeds mismoedig moest vaststellen dat de zijne zoveel kleiner was dan die van de andere leerlingen, die pochten dat zij een vrouw, als zij tot haar ingingen, "konden laten kraken als een meloen'.

Een onplezierige gedachte, maar het begint in onschuld, zonder Spanjaarden en zonder meloenen. De ontdekking, niet te achterhalen in de zilveren schemer van de vroege kinderjaren, van die merkwaardige bron van geheime gewaarwordingen, dat slingerende gewicht bij het hardlopen, dat eilandje in het bad, dat gevoel uit te monden in iets, verbonden aan een besef van fataliteit, van onvoorwaardelijke overgave - des Knaben Wunderhorn.