De smakeloosheid der Javaanse vorsten; Indonesische hofcultuur in kraton en Kunsthal

In Indonesië staan de schitterendste meubels en kunstvoorwerpen naast de afgrijselijkste rotzooi. In de Rotterdamse Kunsthal, waar een tentoonstelling over de Indonesische Hofcultuur is ingericht zijn alleen echt mooie dingen te zien, maar er heerst een opvallend gebrek aan stemming. Dat ligt misschien aan de Kunsthal zelf meent Max van Rooy, net terug van een architectuurreis door Indonesië.

Tentoonstelling: Hofcultuur uit Indonesië. KunstHAL Rotterdam tot en met 17 jan. 1993

Alleen de kleur groen van de kastdeurtjes onder het aanrecht is ongewoon voor de vroege Bruynzeelkeuken in het prinselijk paleis Mangkunegoro in Surakarta. En ook het mooie, grote glas-in-lood raam met de bleke gele en groene kleuren boven het standaard keukenblok verwijst naar een andere omgeving dan die van een moderne, verantwoord ingerichte woning bij ons in Holland uit de jaren dertig. Maar overigens is deze Indonesische hofkeuken van vertrouwde Nederlandse snit. Het exotische, luchtige gebouwtje met het nuchtere, vertrouwde keukenblok uit de Zaanstreek werd in de jaren twintig voor het hof Mangkunegoro ontworpen door de in Amsterdam geboren architect Thomas Karsten (1884-1945). Het middelpunt van het lage, in een rijke tropische tuin gelegen complex is de pendopo - zo'n open, tentachtig paviljoen met een gelaagd, piramide-dak op een houten constructie van balken en zuilen en een verhoogde vloer met spiegelglad gewreven tegels. Hier ontvangt het prinselijk hof zijn gasten. En op andere plaatsen dan het hof wordt onder de karakteristieke hoed van Java gedanst, muziek gemaakt, feest gevierd, gebeden, gemediteerd, geschuild voor hitte of regen, of domweg gehangen.

Overal op dit dichtbevolkte eiland - honderdtwintig miljoen inwoners op een eeuwig groen gebied van duizend kilometer lang en tweehonderd kilometer breed - tekenen zich de elegant hoekige daken af, vaak in drie lagen op elkaar gestapeld boven moskeeën, hofcentra en openlucht theaters.

Van de Nederlandse architecten die in de eerste drie decennia van deze eeuw in het koloniale Indië en vooral op Java hebben gebouwd, was Thomas Karsten een van de eersten die in het land van herkomst een eigen toepassing zochten voor de traditionele, oosterse pendopovorm. Het gastenpaviljoen dat hij ontwierp voor het paleis van Mangkunegoro, is een open tempeltje als een begroetingsgebaar, zorgvuldig gegoten in een strakke Art Déco stijl die heel sensibel tot uitdrukking komt in de tere, smetteloze crèmekleur van het lakwerk op de houten draagconstructie en de sierlijke belijning van de glas-in-lood ramen in de dinervleugel. Veel van de fijnzinnig gedoseerde elegantie in het interieur wordt weer teniet gedaan door een overdadige verzameling gouden empire stoelen en een partij te weelderige kristallen kroonluchters die in strenge slagorde tegen het glad gelakte plafond zijn geschroefd, als gaat het om een rijtje lantaarnpalen. Het is deze warboel van stijlen, balancerend tussen totale smakeloosheid en uiterst verfijnde schoonheid die kenmerkend is voor de Indonesische hofcultuur. De bezoeker staat bijna even vaak versteld van zoveel bizarre lelijkheid als van zoveel moois.

Nog geen twee dagen teruggekeerd uit Indonesië en nog lang niet hersteld van de inspirerende verwarring die een wekenlange cultuur- en vooral architectuurreis op Java in mijn hoofd heeft achtergelaten, bezoek ik, op de dag van de openstelling door Koningin Beatrix, de nieuwe Kunsthal in Rotterdam. Een van de zes tentoonstellingen ter gelegenheid van de inwijding van de Hal van Koolhaas - dit gebouw zal naar zijn architect gaan heten, net als de Beurs van Berlage - gaat over de Indonesische Hofcultuur die ik even tevoren met eigen ogen in de tropische werkelijkheid heb mogen aanschouwen.

Toevallige samenloop, natuurlijk. Toch lijkt het wel of alles wat ik hier de eerste dagen na terugkeer onder ogen krijg met Indonesië heeft te maken. Bij de post tref ik bijvoorbeeld de Kunstkrant die het Amsterdamse Rijksmuseum aan zijn liefhebbers stuurt en in de rubriek "Hoofdstuk uit het Rijksmuseum' wordt het schilderij "Kasteel van Batavia' (1656, Andries Beeckman) behandeld. De voorstelling is een dankbare aanvulling op de historische plattegronden die ik in het halfduister - midden op de dag, de meeste luiken dicht tegen de verzengende hitte en slechts sporadisch het licht van een kaal peertje - in het aandoenlijke Historisch Museum in het voormalige 18de-eeuwse stadhuis van oud-Batavia heb bestudeerd. Op het schilderij van Beeckman is ontzaglijk veel te zien. Niet alleen de zo zelden afgebeelde, machtig uitgestrekte Hollandse vesting, in de jaren twintig van de zeventiende eeuw aangelegd door Jan Pietersz. Coen wordt in laag zijaanzicht getoond, ook de Hollandse pakhuizen van de VOC vangen het licht van een lage middagzon onder een magistrale wolkenlucht. Op de voorgrond, in de schaduw van een verzameling kokospalmen en aan de oever van een recht stukje Ciliwung rivier is een opvallend schone markt gaande met Chinezen, Maleiers, Javanen en Hollanders, zoals in de begeleidende tekst staat te lezen.

De reproduktie in de Kunstkrant is zo klein - in werkelijkheid meet het schilderij van Beeckman 108 X 151,5 cm - dat alleen de Hollanders zich van de overige donkergekleurde marktbezoekers onderscheiden, onder andere omdat ze een parasol hebben opgestoken. In een zwartwit detailopname rijdt een ruiterstoet weg van het Kasteel van Batavia richting nieuwe stad, met aan het hoofd de Gouverneur-generaal die in 1656 Joan Maetsuyker heette. Vooral het beeld van de detailopname - palmbomen en markt vallen buiten het opgenomen tafereel - is recht, horizontaal, kaal en even Hollands als de bekende rode, houten ophaalbrug, de Hoendermarktbrug die tweehonderd jaar geleden aan de rand van oud-Batavia werd geconstrueerd in de buurt van de plek waar, weer tweehonderd jaar eerder, Andries Beeckman ongeveer moet hebben gestaan om een goed zicht op het Kasteel van Batavia te verkrijgen.

Piet Hein

Op weg naar de Hal van Koolhaas, in de trein van Amsterdam naar Rotterdam lees ik het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant. Weer is het raak. Waar speelt het Hollands Dagboek van Theo Olof zich af? Precies, in Indonesië. De bekende violist maakte deel uit van een reisgezelschap dat was bijeengebracht door de voortvarende organisatie 'Amsterdam Promotion'. De groep was aan de andere kant van de aardbol neergestreken om de economische en culturele banden tussen Nederland en Indonesië eens stevig aan te halen. Gretig lees ik Olofs openhartige verslag, want ik durf er veel om te verwedden dat ik een deel van zijn delegatie in het restaurant van een bekend, onder koloniale architectuur gebouwd hotel in Surabaya, heb bezig gezien en gehoord met de uitoefening van hun verantwoordelijke missie. Het lawaaiige Hollandse gezelschap - vooral de mannen waren onwaarschijnlijk groot en luid - had zich om een centrale tafel geschaard en schrok er niet voor terug in het smaakvol ontworpen lokaal met donkere wandbetimmeringen in de stijl van de Amsterdamse School, bekende Hollandse liederen te zingen als Piet Hein, Aan de Amsterdamse Grachten, Berend Botje, Tien Kleine Negertjes en Op de Blanke Top der Duinen. Gelukkig zat ik in een uithoek van de zaal en bovendien achter een mooie, met mahonie hout en in golvende lijnen uitgezaagd zwart djati omklede pilaar zodat ik maar een paar leden van het gezelschap hoefde te zien en die nog schuin van achteren. Dat ik denk mij vrijwel zeker niet te vergissen in de aard van de groep, ontleen ik aan de volgende sfeertekening die Theo Olof in zijn Indonesisch dagboek maakte: “18.45 uur. Bus naar diner, aangeboden door burgemeester in Majors Office, een klein paleisje, eens bewoond door G.G. Daendels. Ook een Australische handelsdelegatie arriveert. Gezamenlijk diner rondom grote dansvloer, alwaar snoezige dansmeisjes sierlijke dansen dansen, begeleid door gamelan-orkest of electronisch orgel met croonster. Ceremoniemeesteres houdt teugels strak. Tegen hun wil moeten 3 Australiërs een liedje zingen, stoten een paar onverstaanbare klanken uit en verdwijnen snel "And our Dutch guests hebben in hun midden Theo Olof, violinist en Gerard van Blerk, pianist. Here they come!' Had je gedacht. Ik heb geen viool mee, er is geen piano, en gespeeld hadden we zeker niet. Maar Dick Ernst laat dat niet op zich zitten. Hij heeft in een mum van tijd de complete delegatie op de vloer en dit indrukwekkende koor geeft een weergaloos "Piet Hein' en "Aan de Amsterdamse grachten' ten beste.” Olofs delegatie had kennelijk de smaak van het vaderlandse gezang te pakken, want ik kan me niet voorstellen dat er gelijktijdig talloze Nederlandse gezelschappen door Java reizen die overal waar ze komen uitbarsten in Piet Hein en Aan de Amsterdamse Grachten. Hoewel? Het blijft een raadsel dat Hollanders zich zo schaamteloos onbescheiden kunnen thuisvoelen in Indonesië.

Neonlampen

Bijna regelrecht vloog ik van de cultureel en religieus zwaar beladen Javaanse hoven, van de kratons van Yogjakarta, Surakarta (Solo) en Cirebon naar de weerspiegeling van dezelfde schatkamers, opgesteld in een onaandoenlijke ruimte, met een zwart plafond waaraan witte neonlampen in morse-seinen gelid zijn opgehangen en de bekabeling is weggestopt in dikke, ontvelde holle boomstammen, de Hal van Koolhaas.

Wat ik zag en herkende, waren mooie, in vroeger tijden delicaat vervaardigde voorwerpen, vaak van puur goud of zilver, en prachtige weefsels, ceremoniële doeken, muziekinstrumenten, maskers, steekwapens. Een zacht flonkerende verzameling die koel, zonder enige liefde of gevoel in de vitrines lag uitgestald of was opgehangen. Inrichter Herman Postma heeft zich duidelijk door de Indonesische hofarchitectuur laten inspireren en het houten pendopo-staketsel als uitgangspunt genomen voor nagebouwde kratonkamertjes. Maar het ruimtelijke resultaat is benepen en de kleur waarin de opstallen zijn geschilderd, futloos soepgroen, helpt ook niet om een aangenaam klimaat teweeg te brengen.

Geen opvallende architectonische schepping zonder bijnaam. Dankzij de betonnen hellingbanen, de uiterlijke platte doosvorm-verschijning, het gebruik van ruwe, sobere en zelfs armoedige materialen en het ontbreken van elke vorm van beschaafde afwerking, wordt de Hal van Koolhaas de Parkeergarage genoemd. Het is een typering die niet alleen op het uiterlijk van toepassing is, maar die ook de volstrekte onpersoonlijkheid van de drie tentoonstellingszalen, of liever expositiehallen betreft. In de ruimte waar de Indonesische Hofcultuur is ondergebracht - is gestald, zou je bijna zeggen - heerst een opvallend gebrek aan stemming. Misschien is die gevoelloosheid inherent aan het verschijnsel Kunsthal waarmee we in ons land nog geen ervaring hebben. We kennen beursgebouwen als de RAI waar boten, auto's, fietsen en caravans worden tentoongesteld. Dat zijn commerciële produkten die aan de man moeten worden gebracht en die het moeten hebben van hun eigen onverbiddellijk begerenswaardige uitstraling zonder dat de inrichting van de directe omgeving daarbij een helpende hand hoeft te bieden.

Maar de tentoonstelling van een 19de-eeuwse schaduwpop - buffelhuid, hoorn, piment, vislijm, bladgoud - uit het kraton Kasepuhan in Cirebon stelt andere eisen aan de achtergrond, de vitrine, de inrichting van de omgeving, de begeleidende tekst - bij de prachtige grote foto's van de hofcentra ontbreekt veelal zelfs de eenvoudigste plaatsbepaling - dan de presentatie van het nieuwste model moutain bike.

Vorstenhoven

Bij de literatuur die ik op mijn Java-reis steeds onder handbereik heb meegedragen, hoorde niet alleen de zwaar verslavende, bijna duizend pagina's dikke bundel Brieven van Willem Walraven waarin hij zijn leven op Java van 1919 tot zijn dood in een Japans kamp in 1942 aan familie en vrienden in Holland tot in de "banaalste' details beschrijft, maar natuurlijk ook het dagboek dat H.P. Berlage heeft bijgehouden tijdens zijn lange Indische reis in 1923. Ook Berlage bezocht de belangrijkste kratons, verdiepte zich met de hem bekende degelijkheid in de cultuur van de vorstenhoven. Net als Theo Olof werd Berlage luisterrijk ontvangen op de oude, historische vorstenhoven en ook van hem citeer ik een passage waarin hij een avondbezoek, op 14 april 1923, aan een paleis beschrijft:

“ 's Avonds werd ik verwacht bij den Pakoe Alam, den prins, die zijn gasten op een "wajang wong' onthaalde. Het genot van een Javaansch tooneelspel is gelijk aan dat van den dans der serimpi's. De dansers waren gecostumeerd als wajangpoppen. Eenzelfde betoovering door gamelan met koorgezang, onder het prachtige dak der pendopo en de roerloos zwijgende menigte rondom.

“De prins, een fijne persoonlijkheid, wiens kleeding algemeen door zijn onderhoorigen wordt gevolgd, had mij eerst in een der vorstelijke vertrekken zijn verzameling kunstvoorwerpen laten zien, waaronder een interessant Oud-Javaansch boek. Maar rondom weer het bekende verschijnsel van een volkomen gemis aan "smaak', wanneer deze niet wordt geleid door een nationale kunst. Want de meubilering der vorstelijke vertrekken was van een verregaande burgerlijkheid, een uitsluitend Westersche, en niet figuurlijk bedoelde eigenschap. In hoeverre nu de Oostersche prins zich Europeesche meubelen moest, of heeft willen aanschaffen om zijn Europeesche gasten ook op "nationale' wijze te ontvangen, weet ik niet; dan wel of hij ze mooier vond dan de oorspronkelijke Javaansche, nog minder. Maar hij heeft ze gekozen uit hetzelfde magazijn, waaruit ook onze grootouders hun meubelen betrokken. De Europeesche beschaving schijnt dus wel voorbestemd "for better and for worse', het Oosten te verwestelijken. Want ik zag denzelfden geest in een paar woningen van rijke Chineezen, waar het prachtigste meubilair, en ik ben geneigd de Chineesche meubelen boven alle mij bekende te verkiezen, met de banaalste tafels en stoelen was aangevuld. En tusschen het schitterendste porcelein, waartegenover mijnerzijds eenzelfde neiging staat, stonden vazen en pullen (ik verschreef mij bijna) die in een guldensbazar schenen te zijn gekocht.”

Wie nu, met dit fragment van Berlage in zijn hoofd de Indonesische hofcultuur bekijkt - niet de tentoonstelling in Rotterdam, daar zie je alleen de echt mooie, oude dingen, maar ter plaatse - krijgt het inderdaad benauwd van de treurige, banale meubelen, lampen, vazen, aardewerk, gebruiksvoorwerpen, schilderijen, stoffen en tapijten die hier zijn verzameld en trots worden beschouwd als mooi en bijzonder.

Het citaat van Berlage heb ik niet alleen gekozen omdat zijn observatie van het volkomen gemis aan smaak in de oude Javaanse hofcentra nog steeds onverminderd van kracht is en het plechtige kratonbezoek een hilarische kant krijgt, als de bezoeker tenminste in staat is zich over ergenis aan zoveel rotzooi in de interieurs heen te zetten - ik heb het citaat ook uitgezocht omdat Berlage hier het woord "banaal' gebruikt en daarmee bedoelde: smakeloos, plat, lelijk.

Het begrip "banaliteit' wordt tegenwoordig veel gebruikt, vooral in publicaties over architectuur. "Koolhaas verbindt banaliteit en chic in briljant ontwerp' luidde een kop in de Volkskrant boven een artikel over de Kunsthal in Rotterdam. Het doet er niet toe of deze recensie, geschreven door Hilde de Haan en Ids Haagsma parodiërend was bedoeld - ik kan me niet voorstellen dat het niet zo is - in de terminologie van deze tijd kan banaliteit gecombineerd met chic heel goed leiden tot een briljant ontwerp. Met banaal wordt namelijk "het gewone' bedoeld, het normaal menselijke, het niet-verhevene. Daarom is banaal niet meer hetzelfde als platvloers, verwerpelijk, lelijk. Banaal is de schoonheid van het alledaagse en die schoonheid kunnen we niet genoeg bezingen.

Als Rem Koolhaas in het ontwerp van zijn Kunsthal een eenvoudige, maar te nauwe gang maakt, een hinderlijk laag plafond, een garderobetrap met zo'n onmogelijke helling dat voor de uitgifte balie de mensen tegen elkaar botsen of voortdurend overeind moeten worden geholpen, dan bewijst dit dat hij de banale architectuur niet schuwt. Als hij goedkope, flodderige materialen toepast en bobbelige panelen aan elkaar monteert met klodderige kit, dan laat hij zien dat niets menselijks hem vreemd is. 'Een Kunsthal is een tentoonstellingsmachine,' zei de voorlopige Kunsthal-directeur Wim van Krimpen. En machines moet je niet mooier maken dan ze al zijn. Zo banaal is dat.