De oudste zoon

Waarom houdt God niet van eerstgeboren zonen? In veel bijbelverhalen zijn zij zonder enige reden ongeliefd. “Voor mij als oudste zoon was dat, toen ik dat patroon eenmaal had opgemerkt, verbazend moeilijk te begrijpen en te verwerken”, schrijft Maarten 't Hart in de eerste van zijn columns over de bijbel, die maandelijks zullen verschijnen.

Hoewel de bijbel bestaat uit een heterogene verzameling geschriften, blijkt er toch één thema te zijn, dat steeds terugkeert. Door de hele Schrift heen treffen wij broederparen aan. Steevast blijkt de oudste een schurk en de jongste een engel. Het eerste broederpaar treffen wij al in Genesis 4: Kan en Abel. Beiden brengen een offer, maar God slaat, zonder enige duidelijke reden, acht op het offer van Abel, maar negeert het offer van Kan. Dat Kan vervolgens zijn broeder vermoordt, lijkt een wat overspannen reactie op het feit dat God zijn offer niet erkent, maar wie de hele bijbel leest begrijpt Kan beter. Vanwaar toch die haat van God tegen eerstgeborenen?

Bij het tweede broederpaar immers, Ezau en Jakob, vinden wij exact hetzelfde patroon. Ook hier wordt, zonder enige duidelijke reden, de eerstgeborene gehaat. De echo van die haat vinden we zelfs in Maleachi twee vers drie: Jakob heb ik liefgehad, Ezau heb ik gehaat. Aan broederpaar Ezau en Jakob ging overigens al het halfbroederpaar Ismaël en Isaäk vooraf. De oudste, Ismaël, wordt met moeder en al de woestijn ingejaagd; de jongste, Isaäk, zal een groot volk worden.

Jakob heeft geen twee, maar twaalf zonen. Van die twaalf zijn de twee jongsten, Jozef en Benjamin, uiteraard de oogappels van hun vader. De oudsten werpen hun broer Jozef eerst in een put en verkopen hem daarna als slaaf aan Egypte.

Met welk een intense haat God Eerstgeborenen beziet blijkt vervolgens duidelijk uit het verhaal van de tiende plaag. Daarbij brengt God “iedere eerstgeborene om in het land van Egypte, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de slavin achter de handmolen, ook alle eerstgeborenen van het vee”. Met de laatste heb ik als kind altijd grote moeite gehad. Waarom werden zelfs van de dieren, die er toch niets aan konden doen dat Farao het volk Israël niet liet gaan, de eerstgeborenen omgebracht? De Israëlieten kunnen deze ramp voorkomen door hun deurposten en bovendorpels te bestrijken met het bloed van eenjarig kleinvee.

Al voor die tiende plaag treedt een broederpaar op dat vier dikke bijbelboeken zal beheersen: Mozes en Aäron. Is Mozes de oudste? Kennelijk, want in Exodus 2 vers 1 wordt verteld dat een Leviet huwt en dat diens vrouw een zoon baart. Dat is Mozes. Toch blijkt Mozes wat verderop al een oudere zuster te hebben. De eerstgeborene is hij dus niet, maar Aäron moet wel jonger zijn. Omdat Mozes niet echt de Eerstgeborene is herhaalt het patroon "oudste gehaat, jongste geliefd', zich niet. Toch kun je ook niet beweren dat God Mozes onvoorwaardelijk liefheeft. Integendeel: Mozes heeft een moeizame verhouding met God. Hij mag, hoewel hij het volk Israël al die jaren door de woestijn heeft geleid, uiteindelijk het Beloofde Land niet ingaan. Als kind heb ik dat altijd verbijsterend onrechtvaardig gevonden. Vele malen heb ik met betraande ogen Deuteronomium 34 gelezen: Mozes' dood. In dat laatste hoofdstuk van Deuteronomium wordt verteld hoe God Mozes op de berg Nabo, de top van de Pisga, het gehele beloofde land laat zien. Dan zegt God: “Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken.” Die woorden hebben jarenlang door mijn hoofd gedreund. Ze bezegelden maar al te duidelijk de Bijbelse boodschap dat God alleen de jongsten liefheeft.

Na Mozes en Aäron treedt er in het Oude Testament nooit meer zo'n opvallend broederpaar op. Toch blijken ook verderop in het Oude Testament de eerstgeborenen altijd de schurken te zijn. Davids “Eerstgeborene was Amnon”. Deze Amnon wordt verliefd op zijn zuster Tamar en in 2 Samuël 13 wordt ons omstandig verhaald hoe Amnon haar in zijn slaapkamer weet te lokken. In het veertiende vers overweldigt, onteert en verkracht hij haar. Waarop hij vervolgens door knechten van zijn broer Absalom gedood wordt. Dat het met Absalom zelf, Davids derde zoon, ook slecht afloopt, lijkt haaks te staan op het Bijbelse hoofdthema, maar bedenk wel: hij is niet de jongste zoon. Na hem komen nog vele andere zonen. Eén van hen, Salomo, is de Uitverkorene. Hij is de tweede zoon van David en Bathséba. Van de eerste, oudste zoon van David en Bathséba wordt ons in 2 Samuël 12 verteld: “De Here sloeg het kind, dat de vrouw van Uria aan David gebaard had, met een ziekte.” Na zeven dagen sterft die Eerstgeborene. “Daarna”, zo zegt het Woord, “troostte David zijn vrouw Bathséba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had dezen lief”.

Kortom, ook hier hetzelfde patroon: twee zoons, de oudste wordt door God, hoewel het kind er geen schuld aan heeft dat zijn vader zijn moeder van een andere man heeft afgepakt, als straf voor het overspel van zijn vader, omgebracht. Eigenaardig is natuurlijk dat de jongste, óók een zoon van diezelfde Bathséba die David van Uria had gekaapt, niet alleen blijft leven, maar dat er zelfs van hem gezegd wordt dat de Here hem liefheeft.

Opmerkelijk is natuurlijk dat er in het Nieuwe Testament zo'n fraaie echo opklinkt van dit verbazend consistente Oud-testamentische leidmotief. In Lucas 15 vers 11 tot 32 verhaalt Jezus de gelijkenis van de verloren zoon. Jezus begint zijn verhaal met de woorden: “Iemand had twee zonen.” Hier lijkt de jongste voor de verandering nu eens de minst deugdzame van het tweetal te zijn. Met zijn erfdeel reist hij af. Hij verkwist het “in een leven van overdaad”. Als hij tenslotte, tot armoede vervallen, zijn buik begeert te vullen met de schillen der varkens, besluit hij om terug te keren naar zijn ouderlijk huis om daar zijn vader te smeken: “Stel mij gelijk met één uwer dagloners”. Eenmaal weergekeerd, wordt voor hem het gemeste kalf geslacht. Iedereen verheugt zich over de terugkomst van de Jongste Zoon, behalve, uiteraard, de Oudste Zoon. Die is zwaar gegriefd en verwijt zijn vader dat deze hem zelfs nooit een geitebokje heeft gegeven om met zijn vrienden feest te vieren.

Ook hier, kortom, blijkt nogmaals dat de oudste, zoals dat bij het offer van Kan al het geval was, in feite de verongelijkte is, de échte slechtaard. Voor mij als oudste zoon was dat, toen ik dat patroon eenmaal had opgemerkt, verbazend moeilijk te begrijpen en te verwerken. En het hielp niet om braaf of oppassend te zijn, want al bracht je een offer, dan nog kon je overkomen dat God er geen acht op sloeg. En was je braaf, des te groter de kans dat het je dan zou vergaan als de Oudste Zoon uit de gelijkenis van Jezus. Maar al te goed was ik mij ervan bewust dat ik, was ik die Oudste Zoon geweest uit de gelijkenis, misschien zelfs wel twee geitebokjes zou hebben begeerd om daarmee - overigens liever op mijn eentje - feest te vieren. Met andere woorden: God heeft gelijk: de oudste zonen deugen nooit, en zijn bovendien vaak nog asociaal ook!