De kaakbeweging van een ambtenaar; Aziz Nesin over de Turkse bureaucratie

Aziz Nesin: Yasar, de man die niet leefde. Vert. door Anneke Krijthe. Uitg. De Geus, 362 blz. Prijs: ƒ 49,50

Yasar, de man die niet leefde, is het verhaal van een man die voor de Turkse bureaucratie niet bestaat. Door een administratieve fout staat hij geregistreerd als overleden. Op alle mogelijke manieren probeert Yasar een identiteitsbewijs te bemachtigen. Hij loopt geboorteregisters, politiebureau's en rechtbanken af. Maar zonder resultaat. Het bureaucratische nietbestaan van Yasar brengt hem in absurde situaties. Zonder papieren kan hij niet naar school, hij kan geen baan krijgen en ook niet trouwen met het meisje waarop hij verliefd is. “Toen ik de erfenis van mijn overleden vader wilde innen leefde ik niet, maar toen ik er belasting over moest betalen leefde ik opeens wel; Toen ik dienst moest leefde ik wel, toen ik eruit wilde leefde ik niet meer”.

Yasar is een beetje sullig, braaf type dat zich consequent aan de regels van de bureaucratie probeert te houden. Lang vertrouwt hij erop dat er uiteindelijk toch zoiets als "rechtvaardigheid' bestaat. Hij probeert wat geld te verdienen door zich voor een dure auto te werpen en de bestuurder smartegeld afhandig te maken: hij gooit zich voor de verkeerde auto en belandt in het ziekenhuis. Mooi is ook de scène waarin hij zich samen met andere plattelandsmensen laat ronselen voor een politieke bijeenkomst in de stad. Hij moet een "partijbobo' op de schouders nemen zodra deze uit de trein stapt. Yasar plant zijn schouders onder "een van onze mannen van formaat' en draaft ermee rond, totdat de spartelende man boven hem de chef-ober van de stationsrestauratie blijkt te zijn. Yasar ontvangt geen lira, en wordt bovendien beroofd door een van de zakkenrollers “die uit heel Turkije waren toegestroomd om ons te rollen terwijl we onze handen in de lucht hadden onder het achterste van onze grote politici”.

Als Yasar na jaren uiteindelijk in opstand komt en een ambtenaar van het geboorteregister de huid volscheldt, belandt hij in de gevangenis.

Het in 1977 door Aziz Nesin geschreven boek is een satire op de absurditeit van een systeem waarin zoiets als "burgers' niet bestaan. Hij beschrijft een ambtenarij die uiteindelijk alleen ten bate van zichzelf bestaat. De scènes zijn herkenbaar voor iedereen die daar wel eens mee te maken heeft gehad: “Hij nam mijn verzoekschrift aan. Keek er eens naar en maakte vervolgens met zijn kaak een beweging en wees me op een ambtenaar die helemaal aan de overkant aan een andere tafel zat. Ik had dus voor een kaakbeweging van de man een dag voor zijn bureau staan wachten”.

Nesin laat de hoofdpersoon zijn levensgeschiedenis met eigen mond vertellen. Elke avond vertelt Yasar aan zijn medegevangenen een volgend hoofdstuk. Deze vondst geeft Nesin de mogelijkheid om tevens een beeld te geven van het leven en het regime in een Turkse gevangenis. Door dealen, handelen en slimmigheidjes houden de gevangenen zichzelf in leven. Yasar, die aankomt als een naïeveling, leert in de gevangenis hoe ook hij moet afzetten en bedriegen. Zijn hele leven was hij op zoek geweest naar een zogeheten "mazenzoeker', de handige jongen die zijn probleem zou oplossen. In de gevangenis wordt hij zelf een volleerd valsspeler. Hij blijkt zelfs beter dan iedereen: "Een eerste klas meneer de Mazenzoeker', constateren zijn medegevangenen aan het eind van het boek.

Yasar, de man die niet leefde is een mooi boek, maar op sommige momenten iets te langdradig. De vorm van een ik-figuur die stukje bij beetje zijn verhaal vertelt, sluit aan bij de traditie van "het verhalen-vertellen' in een land waar nog steeds 30 procent analfabeet is. Avond aan avond beschrijft Yasar onder aanmoediging van zijn celgenoten zijn wederwaardigheden. Voor de gevangenen verdrijft het de verveling. Maar voor een lezer kan het een stuk korter.

Daarbij komt dat het boek op een uiterst irritante manier is vertaald. Om de paar zinnen worden woorden gebruikt als "poen', "lik', of "taas'. Mannen worden uitgescholden voor "oetlullerige kuttekoppen' en krijgen voortdurend "iets in de smiezen'. Het Turkse origineel lijkt daar in het Nederlands overdreven naar de toffe kant. Een andere keer wordt iemand weer uitgemaakt voor "kameel met een bult', wat in Turkije wellicht hard aankomt maar hier een brave indruk maakt. De vertaalster heeft waarschijnlijk geprobeerd van gesproken taal te versterken, maar het resultaat is een ouwe-jongens-krentebroodstijl, die bovendien vaak taalkundig niet deugt.

Korter, en beter vertaald had het boek voor een Nederlands publiek zeker aan kracht gewonnen.

    • Marjon van Royen