Corruptieschandaal in top Japanse LDP breidt zich verder uit

TOKIO, 6 NOV. Het deksel op de beerput in Japans laatste corruptieschandaal is gisteren verder opengegaan door nieuwe onthullingen van het openbaar ministerie. Shin Kanemaru, de gevallen leider van de regerende Liberaal Democratische Partij, en andere topfunctionarissen in de LDP hebben met reusachtige bedragen geprobeerd een ultrarechtse groep om te kopen die wilde verhinderen dat Noboru Takeshita in 1987 premier van Japan werd.

Kanemaru bood de groep drie miljard yen (40 miljoen gulden) en een andere topfunctionaris, Yoshiro Mori, twee miljard yen. Vijf anderen hebben direct of via een tussenpersoon druk uitgeoefend. De groep weigerde het geld.

Dat hebben de openbare aanklagers in Tokio gisteren verklaard tijdens het proces tegen de van corruptie verdachte ex-president van de transportfirma Sagawa. De aanklagers baseerden zich op een verklaring onder ede van de huidige leider van de ultrarechtse groep, die ze eerst wilden samenvatten, maar op verzoek van de rechter in haar geheel voorlazen.

Tot de topfunctionarissen behoort volgens de aanklagers Keizo Obuchi, die zich eind vorige maand uitriep tot nieuwe leider van de zogeheten Takeshita-factie. Diens leiderschap wordt niet erkend door de groep rondom Ichiro Ozawa, die de meerderheid van de Takeshita-factie in het Lagerhuis achter zich heeft staan. Obuchi ontkende de beschuldigingen gisteren categorisch. Dat deden ook Kanemaru, Mori en Seiroku Kajiyama, sterke man achter Obuchi in de voortwoekerende machtsstrijd om het leiderschap van de LDP en aartsrivaal van Ozawa. De Takeshita-factie maakt door de macht van het getal al sinds haar oprichting in 1987 de dienst uit in de Japanse politiek.

Voor de groep rondom Ozawa kwamen de onthullingen als een godsgeschenk. Maar de anti-Ozawa-groep wierp volgens de Yomiuri Shimbun van vandaag meteen tegen dat Ozawa in 1987 secretaris-generaal van de LDP was, suggererend dat Ozawa niet kon doen alsof hij met de hele zaak niets te maken had. Drie topfunctionarissen gaven gisteren toe dat ze contact hadden gehad met de ultrarechtse groep, van één conversatie bestaat zelfs een bandopname.

De ultrarechtse groep prees met vrachtauto's met luidsprekers rondom het parlementsgebouw Takeshita als “zakkenvuller” het politieke graf in. Dat gebeurde in de zomer van 1987 aan de vooravond van de voorzittersverkiezingen in de LDP. De voorzitter van de LDP wordt door haar parlementaire meerderheid (momenteel alleen in het Lagerhuis) automatisch de nieuwe premier van Japan, maar de groep dreigde de verkiezing van Takeshita onmogelijk te maken.

Uiteindelijk wist Kanemaru via de ex-president van de firma Sagawa, die hem in contact bracht met een notoire gangsterbaas, de inmiddels overleden Susumi Ishii van het op een na grootste onderwereldsyndicaat in Japan, de groep tot zwijgen te brengen. Takeshita werd daarop de nieuwe premier van Japan, totdat zijn kop als premier rolde wegens zijn betrokkenheid bij het Recruit-schandaal (handel in aandelen met voorkennis), dat overigens ook de kop kostte van Kiichi Miyazawa, toen minister van financiën en nu premier. Door het nieuwe schandaal is de populariteit van Miyazawa, die nu een jaar regeert, op een absoluut dieptepunt gekomen.

De parlementaire oppositie heeft met de onthullingen nieuwe munitie aangereikt gekregen en is van plan de hele top van de LDP onder ede te laten getuigen in het parlement. De kans wordt daarmee groter dat de parlementaire behandeling van het oppeppakket van 10,7 biljoen yen om de zwakke Japanse economie te stimuleren wordt uitgesteld.

Waarnemers zien het schandaal uitgroeien tot het grootste in het naoorlogse Japan, groter dan het Recruit-schandaal eind jaren tachtig en groter dan het Lockheed-schandaal uit de jaren zeventig.

    • Paul Friese