America First

Als ik Amerikaan was, zou ik op Bill Clinton gestemd hebben en blij zijn met zijn overwinning. Een volslagen oninteressante mededeling. Waarom oninteressant? Omdat ik geen Amerikaan ben. Als niet-Amerikaan ben ik er minder onverdeeld verheugd over dat Clinton president van de Verenigde Staten wordt. Wat goed voor de Verenigde Staten is, is dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de rest van de wereld.

In die opvatting ben ik gesterkt door een uitzending van de BBC (in het programma Newsnight) dat ik aan de vooravond van de verkiezingen zag. Hierin werd het ex-lid van het Huis van Afgevaardigden Dennis Eckart geïnterviewd. Wie is Dennis Eckart? Eerlijk gezegd, had ik nog nooit van hem gehoord, maar de BBC hoeft zich niet te vergenoegen met het derde garnituur, zodat het wel iemand van enige importantie moet zijn.

Belangrijker was dat hij aangekondigd werd als iemand die genoemd werd als Clintons toekomstige chef-staf van het Witte Huis. Als hij inderdaad die positie krijgt, dan was het dubbel interessant wat hij zei. En wat zei hij?

Clinton zou, eenmaal verkozen, heel spoedig moeten besluiten wie zijn naaste medewerkers voor financiën, gezondheidszorg, begrotingszaken en, waarschijnlijk, defensie zouden zijn. Een interessante keuze van prioriteiten - waarbij die voor defensie onduidelijk is (omdat daar zwaar gesnoeid zal worden?).

Hoe het ook zij - internationale zaken kwamen niet in het rijtje voor. Wèl zei Eckart dat de Verenigde Staten een "hardere lijn' in de internationale handelspolitiek zouden volgen en dat de Europese landen meer aan hun eigen defensie zouden moeten uitgeven. (Op hetzelfde ogenblik besloot de Duitse regering tot flinke bezuinigingen op defensie.)

De blik van de Verenigde Staten zou, aldus Eckart, iets meer naar binnen gericht zijn. Eerst zou de grondslag moeten worden gelegd voor het herstel van Amerika's economie, onderwijs en infrastructuur. Kortom, America First zou het parool zijn.

America First! Het woord jaagt diegenen rillingen op het lijf die zich herinneren dat zo de machtige beweging heette die in 1940/41 zich keerde tegen president Roosevelts politiek van steun aan de landen die tegen Hitler vochten. De beroemde vlieger Charles Lindbergh was er een voorman van.

Natuurlijk, het gaat niet aan Clinton, op grond van die ene uitlating van één zijner aanhangers, gelijk te stellen met de isolationisten van ruim vijftig jaar geleden. Bijna zeker was Eckart, die er niet naar uitzag dat hij in 1940 al geboren was (Clinton zelf is van 1946), zich niet bewust van deze parallel. Niettemin kondigt het onverbloemd uitgesproken America First een verschuiving van prioriteiten aan, die niet ten gunste van Europa hoeft te zijn.

Het was ook opmerkelijk dat Clinton zelf, in de korte toespraak die hij, op de trappen van het Witte Huis van Little Rock, hield toen zijn zege vaststond, de buitenwereld geen enkel ogenblik noemde (behalve in zijn dankwoord aan president Bush, die gepresideerd had over het eind van de Koude Oorlog en leiding had gegeven aan het verzet tegen Saddam Husseins agressie in de Golfoorlog). Ook dat is waarschijnlijk kentekenend.

Daarom zullen al die Nederlandse politici die zich, zonder het voorbehoud Als ik Amerikaan was... te maken, voor Clinton hadden uitgesproken, nog wel eens van een kouwe kermis kunnen thuiskomen. Je zou geneigd zijn te zeggen: dat komt ervan, als je je ongevraagd bemoeit met andermans zaken en eigen belang uit het oog verliest.

Intussen mag de wereld opgelucht zijn dat er een eind is gekomen aan de maandenlange wedstrijd in vuilspuiten. Niet dat de vuilspuiterij erger was dan bij andere verkiezingscampagnes. “Campagnes voor het presidentschap in de Verenigde Staten zijn niet bedoeld voor zwakke magen of fijnzinnige geesten”, schrijft prof. A. Lammers in zijn onlangs verschenen boek Franklin Delano Roosevelt: koning van Amerika (uitgeverij Balans).

Dat is niet het uitzonderlijke of bedenkelijke. Erger is dat de Verenigde Staten lange tijd in feite uitgeschakeld zijn als actieve mogendheid. En dat kan nog tot ver in 1993 duren, want het zal niet vóór, op z'n vroegst, het voorjaar zijn alvorens de nieuwe regering enigszins ingereden zal zijn.

Hier treft speciaal Bush blaam, doordat hij de laatste maanden zich meer als straatvechter dan als president heeft gedragen. Had hij een andere keus gedaan, dan zou dat niet alleen de continuïteit van het Amerikaanse beleid ten goede zijn gekomen, maar ook misschien zijn kansen op voortzetting van het presidentschap.

Dat het ook anders kan, toonde Franklin Roosevelt. Lammers over diens campagne van 1936: “Door te zwijgen over je tegenstander verhinderde je hem de publiciteit te halen als hij in de tegenaanval ging. Je liet als zittend president tevens blijken het in feite beneden je stand te achten tot het niveau van je tegenstander af te dalen”. Bush daarentegen mat zich een rol aan die hem - anders dan de terriër Truman in 1948 - helemaal niet lag.

Maar had hij meer in overeenstemming met de waardigheid van zijn ambt en met zijn eigen persoonlijkheid gehandeld, dan had hij het waarschijnlijk ook niet gehaald. Zijn nederlaag is te groot voor zulke speculaties. Hij heeft gewoon de kiezers geen overtuigende reden gegeven waarom hij nog vier jaar moest aanblijven.

Trouwens, ook hij zou, indien herkozen, gedwongen zijn geweest tot een - zij het misschien minder onverbloemde - politiek van America First. De objectieve omstandigheden en ontwikkelingen zouden hem geen andere keus gelaten hebben. Zij zullen, ondanks alle geruststellende verklaringen, in elk geval Clintons beleid bepalen.