Zwart in Nederland

Toestanden als in Los Angeles zullen we hier niet krijgen, meent A.J.F. Köbben in zijn commentaar op de NWO/Huygenslezing van Nathan Glazer. Maar ook in Nederland dreigt voor een zwarte minderheid een toekomst van werkloosheid, misdaad en drugs.

Toen ik de geschreven versie van prof. Glazer's voordracht las, in de stilte van mijn studeerkamer, heeft die mij, moet ik u bekennen, zeer ontroerd. Ziehier een geleerde die zijn werkzame leven besteed heeft aan het onderzoek van minderheden in zijn land en die ons hier nu de trieste balans komt voorleggen.

O zeker, er is ook winst te melden: een groot deel van de zwarte Amerikanen woont thans in een "nette' voorstad en heeft een "nette' baan en onderscheidt zich, sociaal en economisch, nauwelijks meer van zijn mede-Amerikanen. Maar met hen die achtergebleven zijn in de oude binnensteden, is het van kwaad tot erger gegaan. Sprak men eerst over een "cultuur van de armoede', thans heerst er, kan men zeggen, de cultuur van de misdaad, waarbij het niet bij kruimeldiefstallen blijft. Harde misdaad, met harde hand bestreden door een kolossaal repressief apparaat. Er zitten in Amerika, kan ik u zeggen, naar verhouding tienmaal meer mensen in de gevangenis dan hier in Nederland; de helft ervan is zwart. En wie eenmaal een strafblad heeft, is getekend en kan een reguliere baan meestal wel vergeten.

Glazer gunt zich niet de satisfactie schuldigen aan te wijzen. Integendeel, hij presenteert ons onpersoonlijke maatschappelijke krachten die onherroepelijk, lijkt het wel, tot het geschetste resultaat geleid hebben. Als in een Griekse tragedie. Niemand kan men een teveel aan voluntarisme aanwrijven! Er is van alles geprobeerd, betoogt hij, bijstandsregelingen, busing, grootscheepse sociale programma's. Het heeft allemaal niet mogen baten, ja, sommigen beweren zelfs dat het effect ervan averechts geweest is. Deze laatste theorie is fel omstreden, maar heeft ook veel applaus gekregen. Verdacht veel. Glazer's meest gruwelijke constatering is misschien deze, dat ""het probleem van de Amerikaanse oude binnensteden niet meer op de politieke agenda staat''. Pas als zich weer eens burgeroorlog-achtige toestanden voordoen, zoals dit voorjaar in Los Angeles, verschijnt de president op de TV en spreekt zorgelijke woorden. Dan komt ook enig geld ter tafel. Maar voor het overige, niets. De oorzaak, dunkt me, is tweeledig: radeloosheid bij een deel van de publieke opinie, pure politieke onwil bij anderen. De torenhoge kosten, materiële en immateriële, van de bestaande situatie, nemen zij blijkbaar voor lief . . . , als zij zich de omvang ervan tenminste realiseren.

Toch blijft er één punt over, zegt Glazer, waarvan vriend en vijand soelaas verwachten: de verbetering van het onderwijs. Wie evenwel de staat van de openbare scholen in de Amerikaanse binnensteden kent en weet hoe groot de uitval is, zelfs bij het lager onderwijs, moet vrezen dat het hier om de spreekwoordelijke strohalm gaat. ""Wij blijven hoop houden'', zo sluit Glazer zijn betoog af, ""Amerika is een groot land waar heel veel mensen op een of andere manier hun weg weten te vinden naar een produktief bestaan.'' Het zal u als toehoorder niet ontgaan zijn dat dit een bezweringsformule is. Meer niet. Maar soms kan een mens daaraan zo allemachtig veel behoefte hebben.

Het zou al te goedkoop zijn als ik het liet bij een parafrase van Glazer's betoog. Hijzelf vraagt trouwens iets anders. Het is hem niet ontgaan dat ook Nederland een multi-etnische samenleving geworden is en de prangende kwestie is: gaat in Nederland gebeuren wat in Amerika gebeurd is? Precies zo of ongeveer zo?

Het toeval wil dat er zeer onlangs een uitvoerige monografie verschenen is die zich buitengewoon goed leent voor een vergelijking op hoofdpunten met Glazer's stellingen. (1) Het gaat om een studie van Creoolse jongeren in Amsterdam, meest van Surinaamse herkomst en afkomstig uit wat van oudsher in Suriname "de volksklasse' heet. De historische trauma's van deze "volksklasse', haar sociale constellatie en culturele achtergrond, komen sterk overeen met die van de zwarte bevolking in Amerika.

Het onderzoek in kwestie is in de beste antropologische traditie uitgevoerd. Al met al heeft de auteur vier en een half jaar intensief contact onderhouden met zijn respondenten. Hij heeft eindeloos met ze gepraat, geroddeld en geouwehoerd, heeft feesten en partijen met ze bezocht, heeft een menigte rollen voor ze vervuld, zoals barkeeper, sociaal werker, fotograaf, informele raadsman. Maar hij heeft nooit verzwegen dat zijn voornaamste doel was hen te bestuderen. ""Op een gegeven ogenblik'', zegt hij, ""werd mijn woning bijna een dependance voor mijn onderzoek. Het voordeel spreekt voor zich. Het nadeel was dat ik geen privéleven meer had.'' - Ik bedoel maar, deze onderzoeker had er wel wat voor over!

Het is een leerzaam boek geworden, met als voornaamste verdienste dat het de lezer in staat stelt zich te verplaatsen in de gevoelens van de mensen om wie het gaat. Het is ook een verontrustend boek.

De auteur heeft periodes van veldwerk afgewisseld met tijden waarin hij andere dingen deed. Daardoor heeft zijn onderzoek een longitudinaal karakter gekregen. Er zijn zo'n zestig individuen die hij in het begin van de jaren tachtig als jonge jongens heeft leren kennen en die hij tien jaar lang heeft kunnen volgen. In 1981 was het gros van hen nog op school of volgde een cursus, in 1991 hadden er dertien een min of meer reguliere baan, alle overigen hadden een uitkering, velen dan wel met "bijverdiensten'. Enkelen waren in het circuit van de harde criminaliteit terecht gekomen, een handvol was verslaafd.

Werkloosheid is dus de norm, regulier werk de uitzondering en de vraag is natuurlijk: hoe is dat zo gekomen? Een belangrijk punt is dat de eisen die werkgevers stellen, hoger worden. Wie met moeite en ondanks alle achterstand de MAVO gehaald heeft, merkt dat hij voor de baan die hij begeert, minimaal HAVO moet hebben. Wie een beroepsopleiding of cursus gaat volgen - en die zijn er in alle soorten en maten - weet dat, ook al maakt hij die af, er totaal geen garantie is dat hij ook werk zal vinden. Waarom dan al die moeite gedaan? Glazer noemt als bijkomende factor voor zwart Amerika de concurrentie van andere, recent gearriveerde minderheden, die nu eenmaal, zegt hij, gedweeër zijn en zich makkelijker laten uitbuiten.

Iets dergelijks is hier het geval. Creolen hebben de reputatie bij de tijd te zijn, niks te pikken en een grote bek te hebben. Dus waar werkgevers de keus hebben, geven zij nogal eens de voorkeur aan werknemers uit andere minderheidsgroepen. Het werk dat ze eventueel nog wel kunnen krijgen (poetser, vakkenvuller, schoonmaker) vinden ze maar niks. Misschien goed voor een Turk of een Hollander, maar niet voor hen, zeker niet voor langere tijd. De auteur spreekt zelfs van een "anti-arbeidsethos'. Handenarbeid in loondienst maken zij graag bespottelijk. Over Creoolse jongens uit hun omgeving die zulk werk verrichten, worden eindeloos grappen gemaakt. Zoiets is abnormaal, iets voor mietjes of dommeriken. Ze noemen het "rotbaantjes' - wat het natuurlijk ook zijn - die dan ook nog hoogstens ƒ 400 per maand méér opleveren dan een uitkering. Dat bedrag (of meer) kan je ook extra verdienen door te "hosselen'.

Dit Surinaams-Nederlandse woord "hosselen' heb ik zo'n dertig jaar geleden in Suriname leren kennen. Het betekende er zoveel als scharrelen: met uiteenlopende baantjes en bezigheden een karig bestaan opbouwen. Suriname was, en is ongetwijfeld nog, bij uitstek het land van de hosselaar.

Nu staat "hosselen' in de Van Dale. Creoolse jongens menen dat zij er een bijzondere begaafdheid voor bezitten. Het heeft, denken zij, iets met hun bloed, hun natuur te maken. Je kunt het niet op school leren, maar het is waardevoller dan schoolkennis. Je moet er handig en uitgekookt voor zijn, het heeft te maken met handel, met vrij man zijn en je eigen baas. Nederland is het land van de onbegrensde mogelijkheden op hossel-gebied. Soms legaal, vaker licht crimineel ("grijze hossels') of ècht crimineel ("zwarte hossels'). Voorbeelden: muziek maken (voor een paar snippen) op Surinaamse feesten; er wat bijverdienen als uitsmijter, in een koffieshop of bij een "escort service'; een piratenzender exploiteren, snorder zijn, pooieren, helen, en onvermijdelijk ook: handelen in drugs. Meestal is het hard sappelen en blijft het bij kruimelwerk:

""De meesten zijn gelegenheidshosselaars: zij proberen met allerlei activiteiten aan de status van niks-doener te ontsnappen. Zij zijn incidenteel dealer ("bolletjesverkoper'), kleine doorstoter, af en toe inbreker, af en toe pooier. . . . Ze zeggen van alle markten thuis te zijn, maar in feite zijn hun hossels door klungeligheid gekenmerkt. Hun levensstijl is door de uitkering bepaald. Ze gaan hosselen als het geld van de uitkering op is. Het blijft "rommelen, rommelen' zoals de enkele echt geslaagde handelaar het noemt. Dit wordt echter in hun zelfbeeld helemaal niet onderkend.''

Aan het zelfbeeld van zijn Creoolse jongemannen heeft de auteur veel aandacht besteed. Zij hebben absoluut geen lage dunk van zichzelf. Je hebt in hun ogen hosselaars en niksdoeners. Kijk, Hollanders die van een uitkering leven, zijn niksdoeners. Ze zitten de hele dag thuis, hangen voor de TV, zuipen bier en zeuren. Wij zijn zo niet, zeggen ze, wij zijn altijd bezig. Natuurlijk weten ze dat handelen in drugs door veel mensen wordt afgekeurd. Maar ze hebben er een perfecte rechtvaardiging voor:

""Het is niet erg als je iets verdient met een beetje dealen. Kilo's en zo, dat vind ik erg . . . En junkies zijn zelf zo stom om herone te gebruiken, iedereen weet toch dat dat slecht voor je is? . . . Van dealers heeft niemand last, van junkies wel. Die pissen zomaar op straat. Ze hebben geen gevoel, geen respect!''

Zwarte jongens hebben een fenomenaal succes bij vrouwen. Dat menen ze en dat is misschien ook wel zo. Dat komt, vinden ze zelf, omdat ze eleganter zijn, zich beter weten te bewegen en beter plezier weten te maken dan andere mensen. Hun ideaal zijn de zwarte sportvedetten en misschien nog meer de sterren van de showbusiness. Hoeveel hip-hopgroepjes zijn er niet, die dromen van het grote geld? Voorwaarde is wel dat je mooi en modieus gekleed bent ("wat je draagt, ben je'), liefst met één of meer gouden sieraden; goud is ook goed voor je kra (je ziel). Dat kost allemaal handenvol geld, waarvoor een uitkering of een "rotbaantje' niet toereikend is. Dus moeten ze er wel wat bijverdienen . . . en zo is de cirkel weer rond.

Ziehier het beeld zoals dat oprijst uit dit boek. De parallellen met Amerika zijn onmiskenbaar, de verschillen ook. De verhoudingen zijn hier minder gepolariseerd, Los Angeles-achtige (of Brixton-achtige) toestanden zullen zich hier niet zo licht voordoen. Nou ja, dat hoop ik tenminste. Van het onderwijs is hier misschien iets méér te verwachten dan daar. Feit is dat deze jonge Creolen beter opgeleid zijn dan hun ouders. Hun houding tegenover de school is zeker niet uitsluitend negatief, veeleer ambivalent. Ze stellen wel terecht de vraag: wat heb ik eraan voor de praktijk?

En onze politieke agenda? "De minderhedenkwestie' is daar onlangs wel degelijk opgestaan! Laat ik er mild over zijn: bijster veel heeft het niet opgeleverd, maar het heeft ook slechts beperkte schade aangericht.

De grote kwestie is blijven liggen. Die is: hoe komen we af van dat onafzienbare leger van mensen die jarenlang werkloos zijn, allochtonen èn autochtonen? Of moeten we wachten tot we ook hier Amerikaanse toestanden krijgen? Moeten we niet naar minder conventionele oplossingen zoeken? Bijvoorbeeld: als er voor deze mensen geen arbeid voorhanden is, moeten we dan niet overwegen zinvol werk voor hen te creëren? Ach, ik vraag maar. In het verleden, moet ik bekennen, heb ik wel eens plannen in deze richting ontworpen. Curieus vond men dat, maar niet iets om serieus over na te denken. Toegegeven, een wondermiddel zou het niet zijn. ""Die zijn er niet'', zegt Glazer terecht. Het zou hoogstens een noodzakelijke, zeker geen voldoende voorwaarde zijn voor succes. Allemaal waar. Maar als de spraakmakende gemeente zulke plannen afwijst, heeft zij wel de dure plicht zelf te zorgen voor een bruikbaar alternatief.

(1) L. Sansone: Schitteren in de schaduw: overlevingsstrategieën, subcultuur en etniciteit van Creoolse jongeren uit de lagere klasse in Amsterdam, 1981-1990. Amsterdam, Het Spinhuis 1992, 280 pp.