Vrijheid en gelijkheid worden niet gekregen maar genomen

In zijn stimulerende beschouwing over ontwikkelingshulp op de Opiniepagina van NRC Handelsblad stelt F. Bolkestein dat hij aan de norm van 0.7 procent Bruto Nationaal Produkt wil vasthouden. In deze conclusie staat hulp, hoewel in het overige betoog terecht gerelativeerd, centraal.

Daarmee stelt hij zich, wellicht met tegenzin, op één lijn met minister Pronk. Beiden lijken nog niet ten volle te hebben verwerkt hetgeen president Soeharto eerst minister Pronk en later minister Ritzen onder ogen bracht: wie de betrekkingen tussen landen als Nederland en Indonesië ziet in het teken van hulp, loopt achter. Samenwerking (in de ware zin - in Nederland wordt het woord schaamteloos misbruikt als synoniem van hulp) is iets wezenlijk anders. Het gaat niet meer vooreerst om de knikkers, maar om het spel.

Dat stelt Bolkestein ook, maar bij de consequenties remt hij af en valt terug op hulp en de hoeveelheid daarvan. Een mogelijke verklaring is dat dit stuk was bedoeld als inleiding op het begrotingsdebat. Daarmee is de kous niet af.

Nu is het niet zo dat de president iets ongehoords zei. Deze visie heeft niet ontbroken maar ze is verdrongen. Dat hij het was die het zei helpt niet om dit te verbeteren. Ze past slecht bij het wereldbeeld, de activiteiten en de belangen van vele bij ontwikkelingshulp betrokkenen. Niettemin dringt ze zich op.

De uitkomsten van veertig jaar ontwikkelingsbeleid (bijgestuurd door ontwikkelingshulp-beleid) blijven gemeenlijk achter bij doelstellingen en verwachtingen. De hulprelatie blijkt zelf-continuerend te zijn; over het effect van hulp is geen eensluidend definitief oordeel mogelijk; de ontwikkelingsproblematiek is een vaag complex van economische, overwoekerd door een wirwar van "niet-economische', vraagstukken; ontwikkelingsbeleid weet geen raad met een groeiende "culturele' terugslag.

Op dadendrang moet daarom onvermijdelijk bezinning volgen. In dit opzicht zien wellicht sommigen onzer "cliënten', niet ingesponnen in ons patroon van denken en doen, scherper dan wij. Dat zij ons zelden de spiegel voorhouden heeft goede gronden. Dit mag geen reden zijn om het dan zelf ook maar na te laten.

Waarom de fixatie op hulp? Het is als het spreekwoordelijke bloed dat kruipt waar het niet gaan kan. Het kolonialisme, globaal netwerk-in-aanleg van betrekkingen tussen landen en volken, heeft "ons' in relatie gebracht tot anderen, en wel in een ongelijkheidsverhouding. Bij eerste contact voelt elke kant zich de meerdere, maar gaandeweg lukte het onze voorvaderen hun suprematie op te leggen. Deze was niet vrij van dubbelzinnigheid: de ander was tegelijk "luie inlander' en "nobele wilde'.

Deze expansie kwam voort uit de Westerse moderniteit, een denkpatroon dat de mens in en tegelijk tegenover de werkelijkheid (inclusief de medemens) ziet: als beheerser, begripmatig en dan ook daadwerkelijk. De verzakelijking van de "Umwelt' had een materieel - economisch, mechanisch - accent. Een en ander heeft het Westen fabelachtige successen opgeleverd, waarop echter de onvoorziene verdere consequenties juist nu een domper zetten.

Bij die consequenties behoort de spontane aftakeling van de koloniale imperia: de dekolonisatie, hier aanvankelijk ondergaan als verlies, ginds als bevrijding. Ze is begeleid door beiderzijds besef van de noodzaak, te verhoeden dat het embryonale wereldsysteem in duigen zou vallen tot ieders schade. Met versterking van een uit het verlichte kolonialisme afkomstige tendens heeft men de zaak gelijmd: de ex-kolonisatoren gingen de prille zelfstandigheid der ex-gekoloniseerden door hulp verstevigen. Dat daarbij de ongelijkheid-per-definitie onverlet bleef werd over het hoofd gezien: er viel niet veel te kiezen.

Inmiddels rijst het zorgwekkende vermoeden dat zomin als het verlichte kolonialisme zichzelf overbodig kon maken, de hulp een eind kan maken aan de ongelijkheid. De vraag naar hulp is een automatisme geworden; ze neemt toe in plaats van af, en daarmee ook de wederzijdse teleurstelling.

Al met al komt men er met hulp als plechtanker niet uit. Evenals vrijheid wordt gelijkheid niet gekregen maar genomen. Vandaar Soeharto's boodschap: verander van optiek, en handel daarnaar.

Wie dat doet bewerkt allicht geen ommekeer der dingen bij toverslag. Het probleem van de culturele verandering in het Westen - dat we onszelf moeten hervinden en een nieuwe rol in de wereld zoeken - blijft, maar het wordt gelocaliseerd. Daarmee wordt zijn ontwrichtend effect elders gaandeweg afgezwakt.

Op korter zicht is belangrijker dat er ruimte ontstaat voor kritische herbeschouwing van "hulp' als visie en als praktijk. Er zou al veel gewonnen zijn indien de woorden "hulp' en vooral "samenwerking' hun ware betekenis terug kregen.

Hulp zou dan aan de orde komen bij door natuur of mens veroorzaakte incidentele calamiteiten, als verstrekkingen à fonds perdu. Los daarvan (niet verstrengeld zoals nu) moet samenwerking een zaak worden van effectieve wederkerigheid, zo niet terstond als vigerende situatie dan althans als wederzijds termijngebonden streefgoed.

Zo ontstaan twee onderscheiden, naar werkwijze en criteria verschillende exponenten van buitenlands beleid. Voorzover hun budgetaire en administratieve uitsplitsing een zaak is van verduidelijking, die overigens verscheidene ministeries aangaat, moet ze zonder veel politieke scherpslijperij en bureaucratische touwtrekkerij totstand kunnen komen.

Opmerkelijk genoeg is in geen van beide concepties het modern-Westerse, discriminerende begrip "ontwikkeling' onmisbaar. Het is een belasting. Naarmate het wegslijt ontstaat er ruimte voor een realistischer visie op processen van verandering in diverse cultuurgebieden, en de mogelijkheden tot lotsverbetering die daarin passen.

Zulk een verduidelijking heeft vierderlei wenselijk effect. Vooreerst een waarnaar ook Bolkestein streeft: het indammen van de vervuiling van zakelijke afweging door misplaatst gemoraliseer - de grote verleiding voor menige ontwikkelingsbevlogene. Voorts de zuivering, van geval tot geval, van de betrekkingen met de zeer diverse gebieden die ten onrechte bij elkaar geveegd worden onder het Westerse etiket Derde Wereld: een misstand die door prof. Ferdinand van Dam en anderen al sinds jaar en dag bevochten wordt. Dan het wegvallen van het huichelachtige debat over de verstrengeling van ontwikkelingshulp en commercieel verkeer. Tenslotte de broodnodige reïntegratie, en het herstel van de controleerbaarheid, van de twee onderscheiden activiteiten in het totaal van het buitenlands beleid, en daarmee de bezwering van de rusteloze tendens tot grensvervaging en stille uitbreiding van het machtsbereik van Ontwikkelingssamenwerking.