Van den Akker: vette jaren hebben onze alertheid geschaad; Nieuwe FME-voorzitter bezorgd over concurrentiekracht industrie

ZOETERMEER, 5 NOV. Volvo Car, Fokker, DAF. Wie spreekt over "uitverkoop van kroonjuwelen' uit het industriële bezit van de BV Nederland is bevangen door “poldersentimenten”. Dat vindt althans voorzitter J.L. van den Akker van de FME, de werkgeversvereniging in de "metalektro'.

Eigendomsverhoudingen interesseren hem niet zo veel. “Voor de toekomst van de industrie in Nederland is irrelevant wie hoeveel aandelen bezit. Veel wezenlijker is dat in ons land industriële ondernemingen blijven bestaan die zelf essentiële beleidsbeslissingen kunnen nemen, die zeggenschap hebben over zaken als investeringen, produktontwikkeling en de wijze waarop je een produkt positioneert in de markt. Zulke ondernemingen blijven alleen bestaan als ze concurrerend en winstgevend zijn. Dáár gaat het om, niet om de eigendomsverhoudingen.”

Van den Akker (50) volgde begin september drs. J.C. Blankert op als voorzitter van de FME (metaal-, elektronica- en elektrotechnische industrie), met ruim 1300 bedrijven (omzet 76 miljard, 270.000 werknemers) de grootste industriële bedrijfstakorganisatie in Nederland. Op de jaarvergadering, vanmiddag in Utrecht, luidde hij de noodklok. Niet over (vermeende) uitverkoop, ook niet over de tegenzittende conjunctuur, maar over de geringe winstgevendheid in de metalektro-industrie. “Onze bedrijfswinsten zijn eenvoudig niet hoog genoeg en onze concurrentiepositie is te zwak. Dat is hèt structurele knelpunt. Die situatie bestaat al vele jaren, maar is verbloemd door de gunstige algemene economische situatie in de jaren 1987-1991.”

Twee graadmeters leveren volgens Van den Akker het onweerlegbare bewijs. Het gemiddeld rendement over het werkzaam vermogen (debiteuren, voorraden, machines, gebouwen minus niet-rentedragende schulden) bedroeg in de metalektro 8,5 procent in de jaren 1987-1991. Dat was beduidend minder dan in de chemie (15,8 procent), de bouw (19,5) en de voedingsbranche (20,4). Het relatief arbeidsintensieve karakter van de metalektro is daaraan mede debet. “Onze bedrijfstak heeft minder verdiend dan de bankrente die in die jaren op ongeveer 9 procent lag. Een acceptabel rendement in onze bedrijfstak is ten minste twee keer de bankrente.”

Ook de kasstroom in de metalektro, die Van den Akker definieert als netto winst plus de mutatie in het werkzaam vermogen, is volgens hem onder de maat. In genoemde periode was deze cash flow volgens de FME-voorzitter 100 miljoen gulden negatief, waar in andere branches positief scoorden: 2,4 miljard in de bouw, 10,9 miljard in de chemie en 16,9 miljard in de voeding. “Na vijf jaar hadden wij in de metalektro 100 miljoen gulden minder in kas, terwijl we samen een omzet draaiden van 400 miljard gulden. We hebben dus voor de ..., eh, enfin, we zijn er dus niet veel wijzer van geworden.”

Over cijfers die een internationale vergelijking van de concurrentiepositie van de Nederlandse metalektro mogelijk maken, zegt Van den Akker (nog) niet te beschikken. “Maar die doen er ook niet zo veel toe. Het feit dat het daar mogelijk ook slecht gaat, doet niets af aan de povere resultaten in ons eigen land.”

Welbeschouwd lijkt het erop dat Van den Akker een failliete boel van zijn voorganger heeft overgenomen. Maar zo zou hij het niet willen zeggen. Wel acht hij het, om het tij te keren, dringend noodzakelijk om ondernemingen die hun alertheid zijn kwijtgeraakt in de vermeende "vette jaren', wakker te schudden. Ze moeten zich als de wiedeweerga onderzoek en ontwikkeling van nieuwe produkten en produktie-processen een impuls geven. Bovendien moeten ze hun export-positie versterkten, want het is volgens de nieuwe FME-voorman een mythe dat Nederland het op dat vlak zo goed doet. “Van de produkten van de metalektro-industrie gaat 60 procent naar het buitenland. We kloppen ons graag op de borst, maar is dat wel terecht? Ik vind van niet. De bulk van onze export gaat naar de omringende landen, maar laat je die buiten beschouwing, dan blijft er niet veel over: 7 procent van onze produkten exporteren we naar de VS, 1 procent naar Japan en vrijwel niets naar Zuidoost-Azië, nota bene de regio met de snelst groeiende economie.”

De metalektro-werkgevers moeten de omslag zelf forceren, vindt Van den Akker, maar hij denkt de overheid wel een essentiële rol toe. Al jaren is de FME op kruistocht om in politiek-Den Haag meer aandacht voor de Nederlandse industrie te wekken. Tot dusver zonder veel respons, maar door Volvo Car, Fokker en DAF komt daar wellicht verbetering in, getuige ook de opmerking van koningin Beatrix in de jongste Troonrede, dat “een effectief beleid nodig (is) voor de bescherming en versterking van het industriële draagvlak”.

Tegen die achtergrond verrast het niet dat er volgens Van den Akker voor de werknemers komend jaar niet veel meer dan de nullijn in kan zitten. Weliswaar is voor de belendende metaalnijverheid voor 1993 4,75 procent loonsverhoging overeengekomen, maar toen dat gebeurde, waren de vooruitzichten beter. Met belangstelling wacht Van den Akker het centraal overleg tussen kabinet, werkgevers en werknemers af, over de CAO-onderhandelingen in de metalektro heeft hij geen "centrale aanbeveling' - “Denk er om, u moet aan loonmatiging doen” - nodig. “Dat regelen we zelf wel, op decentraal niveau.” Daarin zal hij ook eisen dat de mogelijkheid van vervroegd uittreden na veertig dienstjaren vervalt, omdat anders de VUT-kosten te hoog oplopen. Afschaffing van de collectieve VUT-regeling (vanaf 60 jaar) geniet bij werkgevers aanzienlijk minder prioriteit dan een jaar geleden, maar dat heeft weer alles te maken met de talrijke inkrimpingen die op stapel staan. “Ik maak er geen geheim van dat de VUT een acceptabele manier is om een en ander te kunnen doorvoeren.”