Teruggave Koenigscollectie nog altijd "gevoelige kwestie' Eind aan jarenlange speurtocht

MOSKOU, 5 NOV. Met de definitieve vondst van de Koenigscollectie is een jarenlange speurtocht van de Nederlandse regering nu ten dele beëindigd. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de Rijksdienst voor beeldende kunst op jacht geweest naar de ruim vijfhonderd tekeningen.

De collectie van de Haarlemse bankier Franz Koenigs kwam in 1941 in Duitsland terecht. De Rotterdamse havenbaron Van Beuningen (de formele eigenaar van de collectie) en directeur Dirk Hannema van het museum-Boymans waren toen al met Hitlers Sonderbeauftragter Hans Posse overeengekomen om de gehele collectie voor 1.4 miljoen gulden te verkopen aan het nog in te richten Führermuseum in Linz. Van Beuningen hoopte met de verkoop de belangen van zijn bedrijf Steenkolen Handelsvereeniging (SHV), dat een monopolie had op het transport van kolen, in nazi-Duitsland veilig te stellen. Hannema, namens de bezetter tevens collaborerend "gemachtigde voor het museumwezen', wilde met het verdiende geld een andere collectie voor het Boymans aanschaffen. In afwachting van de opening van het museum in Linz werd de collectie ondergebracht in Dresden en Leipzig.

Volgens de Nederlandse regering in Londen was deze transactie echter op voorhand ongeldig. Een reeks koninklijke besluiten had zaken doen met de Duitsers al in 1940 verboden. Op grond van deze documenten en een gezamelijke verklaring van de geallieerden uit 1943 poogde de Nederlandse regering de collectie na de oorlog terug te krijgen. Ze bleek echter spoorloos verdwenen. Slechts 33 werken waren per ongeluk in het Kupferstich-Kabinett in Dresden en een kunstmuseum in Leipzig achtergebleven. In 1987 zouden die uiteindelijk "gerecupereerd' worden. Eén tekening van Dürer kwam in 1953 in Linz boven water. De overige 492 tekeningen waren niet meer te vinden. Er was maar één conclusie mogelijk: de Koenigscollectie moest zich in de Sovjet-Unie bevinden. Het was immers het directoraat voor "oorlogsbuit' van het Rode Leger geweest dat zich in mei 1945 van de musea in de oostelijke bezettingszone meester had gemaakt.

De regering in Moskou ontkende dat niettemin categorisch. Of beter, ze hield zich consequent van de domme. Ook toen er in 1966 in een catalogus twee tekeningen van Elsheimer uit de collectie opdoken die in bezit zouden zijn van professor Sidorov, een kunsthistoricus die tijdens de oorlog als kolonel van het Sovjet-leger belast was met het veiligstellen van de oorlogsbuit (geen familie van de huidige minister).

Ruim twintig jaar later gingen de autoriteiten zelfs nog een stapje verder. Via de Russische journalist Viktor Louis, een man die er indertijd van werd verdacht voor de KGB te werken omdat menig primeur langs hem aan de Westerse pers werd verkocht, kreeg het British Museum in 1987 een tekening van Holbein aangeboden. De directie van het British Museum stuurde Louis het bos in en tipte de Rijksdienst voor beeldende kunst die het kunstwerk kort daarop met succes wist op te eisen.

Louis, die dit jaar overleed, liet zich vervolgens niet meer zien.

Voor het ministerie van WVC waren al deze snippers aanleiding om de druk via een officiële brief van minister Hedy d'Ancona van WVC weer wat op te voeren. Nederland werd daarbij in de kaart gespeeld door de glasnost.

Steeds meer mensen zeiden van het bestaan af te weten. Van alle kanten begonnen kunsthistorici te pleiten voor openbaarheid. De toenmalige minister van cultuur Nikolaj Goebenko deed echter alsof zijn neus bloedde. De reden voor deze terughoudendheid was politiek én persoonlijk. Persoonlijk omdat Goebenko, als oorlogswees, gewoon geen zin had om de "oorlogs-trofeëen' van de Sovjet-Unie zomaar af te staan. De Koenigscollectie was voor hem slechts een deel van een groter probleem dat zich ook uitstrekte tot de specifiek Duitse collecties, zoals die van de Bremer Kunsthalle en het Trojaanse goud van Schliemann uit Berlijn. Politiek omdat er binnen de Sovjet-regering meningsverschil bestond over het tempo waarin het slepende conflict moest worden afgehandeld.

Hoewel het openlijk werd ontkend, hoopte het ministerie van cultuur de "oorlogstrofeeën' te kunnen gebruiken als wapen in onderhandelingen over geld. Zo speelde de cruciale topambtenaar Gendrich Popov van het departement in die dagen met het idee om een tegenclaim in te dienen (de Malevitsj-collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam) of om de Koenigscollectie op trilateraal niveau aan de orde te stellen, zodat ook de in financiële zin meer toeschietelijke Duitse regering als laatste eigenaar erbij betrokken zou kunnen worden.

Pas na de mislukte staatsgreep van augustus 1991 verdwenen Goebenko en Popov van het toneel, en durfde de Russische minister van cultuur Jevgeni Sidorov het aan het bestaan van de collectie, nog altijd een 'gevoelige kwestie', toe te geven.