Ruysschaert maakt indruk in monoloog van dode vrouw

Voorstelling: Wit is altijd schoon van Leo Pleysier door Tine Ruysschaert. Regie: Franz Marijnen. Gezien: 3/11 De Speeldoos, Baarn. Tournee t/m 24/3.

Wie Wit is altijd schoon van Leo Pleysier heeft gelezen zal onmiddellijk een gevoel van herkenning hebben bij het zien van dit beeld: een bed midden op het podium; de witte lakens steken scherp af tegen het gapende zwarte Niets erachter. Het bed wordt geflankeerd door een stoel en een houten nachtkastje met daarop een brandende kaars en een kruisbeeld. Een vergeten tas staat op de grond. In bed ligt een vrouw: een beetje een boers type. Ze is niet jong meer, haar haar is grijs. Ook haar jurk heeft een onbestemde grijze kleur.

De aanblik van dit tafereel mag dan weinig verrassends in petto hebben, het laat niet na indruk te maken, omdat het mooi en eenvoudig is en zo duidelijk verwijst naar de situatie die Pleysier beschrijft in Wit is altijd schoon. Hetzelfde geldt voor de gelijknamige solovoorstelling als geheel: de zorgvuldige vertolking van Tine Ruysschaert getuigt van respect voor de tekst en ademt onmiskenbaar de sfeer van het boek. Dat laatste heeft veel te maken met de Vlaamse tongval van Ruysschaert. Iemand die niet van Vlaamse afkomst is, zal nooit zoals zij die sobere perfectie bereiken in het uitspreken van een monoloog doorspekt met zangerig klinkende Vlaamse woorden en uitdrukkingen.

Het is een taal die karakteristiek is voor de hoofdpersoon in het boek. Hoewel de vrouw dood is, is ze continu aan het woord, in het hoofd van haar zoon. Voortdurend hoort hij de stem van zijn moeder terwijl ze thuis ligt opgebaard in afwachting van haar begrafenis. Ze praat tegen hem alsof ze nog leeft, typerend is dat ze zich over de gekste futiliteiten opwindt. Vooral de vraag hoe zij erbij ligt baart haar zorgen: is haar haar wel netjes gekamd, kan de lijkwade niet beter wit zijn in plaats van paars, verliest haar lichaam niet teveel vocht, is er eigenlijk wel gezorgd voor wijwater als straks de mensen komen? Geen detail ziet ze over het hoofd, want iedereen moet toch “kunnen zien dat het hier een beetje fatsoenlijk eraan toegaat.”

In de voorstelling kwebbelt Tine Ruysschaert aan een stuk door, nu eens heeft ze het tegen haar onzichtbare zoon, dan weer tegen zichzelf. Het bijzondere van deze door Franz Marijnen geënsceneerde monoloog is, dat er nauwelijks sprake is van enige handeling: de vrouw ligt in bed en komt slechts heel af en toe traag overeind om op de rand te gaan zitten of om een blik in de spiegel te werpen. Dat maakt de voorstelling tegelijkertijd statisch en een beetje eentonig. Kijken naar een bijna niet veranderende situatie is na verloop van tijd vermoeiend en ik had dan ook de neiging mijn ogen dicht te doen en weg te dromen bij het almaar voortkabbelende gebabbel.

Toch weet Tine Ruysschaert elke keer weer de aandacht te trekken door een andere intonatie in haar stem, of een grappige opmerking. Op een terloopse manier vestigt ze daarmee de nadruk op de humor in het verhaal en de lichte vorm van zelfspot die de hoofdpersoon kenmerkt. “Wat gaan ze op den duur denken van mij?” vraagt ze zich tegen het eind van haar lange alleenspraak af. “Dat kletswijf kan zelfs dood haar mond nog niet houden!” Even later blijft het voorgoed stil en zien we als laatste beeld een flakkerend kaarsvlammetje naast een bed dat bijna niet te onderscheiden is in de grote, inktzwarte ruimte.