Natuur en Milieu jubileert in gematigd pessimisme

De Stichting Natuur en Milieu viert morgen haar twintigjarig bestaan. Directeur P. Nijhoff blikt terug en hekelt de politiek.

UTRECHT, 5 NOV. “Als ik op die twintig jaar terugkijk”, zegt P. Nijhoff, vanaf de oprichting in 1972 directeur van de Stichting Natuur en Milieu, “dan moet ik helaas vaststellen dat een reeks taaie vraagstukken, ondanks de inzet van duizenden mensen, nog steeds niet is opgelost. Integendeel. De hoeveelheid mest is in die periode verdubbeld, eenvoudig door een verdubbeling van de kippen- en varkensstapel. En ook het aantal autokilometers is schrikbarend toegenomen. Nu zien we wat daarvan de gevolgen zijn: de Nederlandse bossen sterven in alarmerend tempo af.”

Afgelopen dinsdag presenteerde Nijhoff (58) namens zijn organisatie een overlevingsplan voor het vaderlandse loof- en naaldbos. Morgen voert hij het woord op een jubileumsymposium van Natuur en Milieu, handelend over "cultuur en politiek als (tegen)krachten op de weg naar een duurzame samenleving'. Daartussendoor getuigt hij van teleurstelling, maar ook van een zekere voldoening bij het beschouwen van twintig jaar ijveren voor een gezondere leefomgeving.

“Wat me in gunstige zin opvalt”, aldus Nijhoff, “is de toenemende bereidheid van het publiek om in eigen gemeente actief te zijn voor het milieu. Zie de manier waarop men de gescheiden inzameling van huisvuil heeft weten door te drukken. Uit opinie-onderzoeken blijkt dat de gemiddelde Nederlander met iets minder méér genoegen wil nemen als milieu en werkgelegenheid daarvan profiteren. De Consumentenbond en Natuurmonumenten zijn reusachtig gegroeid en tellen nu allebei zo'n 650.000 leden. Dat zijn stuk voor stuk prima ontwikkelingen. Nu gaat het erom die oogst in tastbare veranderingen om te zetten, want anders verliezen we de moed. Maar dat blijkt op allerlei blokkades te stuiten, zodat echte vernieuwingen uitblijven.”

Nijhoff schrijft de stagnatie vooral toe aan een zwak, soms ronduit falend overheidsbeleid: “Het mestvraagstuk is daar een schrijnend voorbeeld van. Eind jaren zestig waren er al onderzoekers van landbouwinstituten die waarschuwden dat het de verkeerde kant opging. Door al die drijfmest op het land zou zelfs de drinkwatervoorziening in gevaar komen. De signalen werden genegeerd en later, toen ze niet meer te negeren waren, gebagatelliseerd. Het zou zo'n vaart niet lopen. Nog weer later heeft het departement van landbouw maatregelen getraineerd en het gevolg is dat we nu met die bossterfte zitten.”

Een andere blokkade is volgens Nijhoff een “permanent conflict” tussen het ministerie van milieu enerzijds en economisch georiënteerde departementen zoals Economische Zaken, Landbouw, en Verkeer en Waterstaat anderzijds: “De eenheid is ver te zoeken. In plaats van elkaar te ondersteunen zijn ze in een voortdurende strijd verwikkeld.” Tegelijk verzet hij zich tegen het verschijnsel van een terugtredende overheid, waar het gaat om zaken van natuur en milieu: “Die vragen juist een intensievere bemoeienis van de overheid op alle niveaus, inclusief dat van de waterschappen, die tegenwoordig in de strijd tegen vervuiling zo'n belangrijke rol spelen.”

Op het politiek-parlementaire vlak signaleert Nijhoff golfbewegingen in de aandacht voor natuur en milieu. Nu is er volgens hem weer een dieptepunt: “Zodra het Centraal Planbureau even de wenkbrauwen fronst over de economische vooruitzichten, worden natuur en milieu in de politieke sfeer opeens een soort luxe. Terwijl wij daar tegenoverstellen: deze terreinen vergen, net als onderwijs en gezondheidszorg, de continue aandacht.”

Volgens Nijhoff is het “juist in tijden van groeiende werkloosheid zeer de moeite waard om op het gebied van milieutechnologie, energiebesparing en natuurbeheer extra inspanningen te plegen, waardoor immers ook extra werkgelegenheid onstaat. En dat niet alleen. Met die milieutechnologie, zoals zuiveringssystemen, zouden we ook op de exportmarkt iets kunnen betekenen. Daar heeft Japan nu het initiatief genomen en niet een van de meest vervuilde landen ter wereld: Nederland.”

Wat de gewenste veranderingen betreft - een "trendbreuk' als het aan Nijhoff ligt - voelt zijn stichting zich onder het kabinet-Lubbers III gesteund door de oppositiepartijen D66, Groen Links en “het GPV van Schutte”. De regerende fracties vallen hem bitter tegen: “Je zag het weer bij de begrotingdebatten van de ministeries van VROM en landbouw: die angst om tot werkelijk ingrijpende maatregelen te besluiten, terwijl bijvoorbeeld het recente bosonderzoek daartoe alle aanleiding gaf. Verzuring, verdroging en vermesting, we zien wat daarvan de gevolgen zijn, maar de regeringspartijen zijn blind voor de signalen die de natuur zelf afgeeft.”

Maar is het dan allemaal treurnis? “Nijhoff: “Zeker niet. Behalve dat het gros van de Nederlanders zich oprecht bezorgd toont en ook een veer wil laten ten gunste van natuur en milieu, zie je ook enkele concrete verbeteringen. De waterkwaliteit, vooral in het stroomgebied van de Rijn, is de laatste jaren aanmerkelijk opgeknapt en de uitstoot van zwavel is sterk verminderd. Ook op het gebied van natuurontwikkeling is het nodige op gang gebracht, mede dank zij het Natuurbeleidsplan van de regering. Die eer wil ik ze graag geven.”