Lubbers heeft een "Europese zwaai' gemaakt; "Avontuur' van premier steunt op verouderde motieven

In het kader van de campagne om "Maastricht' uit te leggen aan de bevolking werd op 28 oktober in het Amsterdamse centrum de Rode Hoed een debat gehouden tussen premier Lubbers en een aantal personen dat zich beroepshalve nogal eens met Europa bezighoudt. Natuurlijk was het debat niet in alle opzichten bevredigend. De vragen en tegenwerpingen waren weinig geordend, soms ook weinig terzake, over sommige kwesties werd te lang gepraat en vragen die hadden moeten worden gesteld, kwamen niet aan bod.

De premier was goed op dreef. Lastige klippen werden handig omzeild. Politieke duidelijkheid is nu eenmaal een contradictio in terminis. Het uitgangspunt van de campagne is dubieus omdat het paternalistische uitleggen gemakkelijk als een alibi kan worden gebruikt voor te weinig democratische procedures. Democratie behoort van beneden naar boven te gaan en niet van boven naar beneden. Eén der sprekers vestigde terecht de aandacht op de symboliek van de ambiance: het publiek, het "volk', zat in het duister, terwijl de sprekers onder de schijnwerpers hadden plaatsgenomen.

Ondanks alle verwarring hebben dergelijke bijeenkomsten wel enig nut. Wie goed luisterde, kon heel wat aan de weet komen. Met moeite gaf de premier toe dat hij wat "Maastricht' betreft een zwaai heeft gemaakt. Het akkoord is voor de Nederlandse regering lang niet meer zo heilig als in de maanden tussen de conferentie en de referenda in Denemarken en Frankrijk. Wanneer de zwaai precies is gemaakt blijft onduidelijk, maar de genoemde referenda en de valutacrisis zullen hun steentje ertoe hebben bijgedragen.

Belangrijker is echter het volgende. Iedereen weet dat onder Europese integratie iets meer wordt verstaan dan een losse samenwerking tussen enkele Europese staten en iedereen weet ook dat die integratie niet is voltooid. Daarmee houden de algemene kennis en de eensgezindheid op. Over de vraag hoe een volledig geïntegreerd Europa eruit zou moeten zien hebben altijd al talrijke concepten bestaan en vele ervan bestaan nog steeds. Ook premier Lubbers heeft hier ideeën over, maar het is niet gemakkelijk te ontdekken hoe nauwkeurig deze ideeën zijn. Slechts stukjes en beetjes van deze ideeën komen aan het licht.

Alle ooit bedachte concepten van een "voltooid' Europa bevatten tenminste drie elementen. Het eerste element is de bindende factor in Europa, het cement zonder welk het Europese huis niet kan worden gemetseld. Vaak noemt men dit de Europese identiteit zonder precies aan te kunnen geven wat hieronder wordt verstaan. Men komt zeer uiteenlopende "identiteiten' tegen, waaronder de judeao-christelijke beschaving, het rooms-katholicisme, het beginsel van vrijheid, tolerantie, sociaal-democratie en faustische kennis- of dadendrang.

Lubbers zag er niet tegenop een aantal van die soms tegenstrijdige identiteiten naast elkaar te noemen, zoals een door de geschiedenis ontstaan eenheidsgevoel en diversiteit, maar zijn impliciete voorkeur voor katholieke landen lijkt toch te wijzen op het streven naar het katholieke Europa waar Willem Drees indertijd zo'n afkeer van had.

Het tweede element van de Europa-concepten is de uiteindelijke geografische omvang van een voltooide Europese politieke unie. Aan het einde van de zeventiende eeuw vond William Penn dat het Osmaanse rijk en Rusland bij een verenigd Europa behoorden, in de negentiende eeuw werd Turkije uitdrukkelijk opgenomen in het Europese concert, maar in de jaren twintig van onze eeuw kwam Richard Coudenhove-Kalergi met zijn Pan-Europa zonder Turkije, Rusland en Groot-Brittannië. Charles de Gaulle sprak van “l'Europe depuis l'Atlantique jusqu'à l'Oural” en in onze dagen treft men klein-Europese concepten aan naast Atlantische visies als "Europe on both sides of the Atlantic' (Margaret Thatcher) en "Europe from San Francisco to Vladivostok' (Zbigniew Brzezinski).

Op de vraag naar zijn geografische concept van Europa hield premier Lubbers een betoog over de geleidelijke uitbreiding van de Gemeenschap en de beoogde samenwerking met anderen. Een Atlanticist lijkt hij niet te zijn. Noorwegen, Zweden, Oostenrijk en Zwitserland mogen op niet al te lange termijn lid worden. De oude en nieuwe staten van oostelijk Europa moeten nog geruime tijd in de wachtkamer. Turkije en de meeste brokstukken van de voormalige Sovjetunie komen in zijn Europa niet voor.

Het derde element, de toekomstige staatkundige structuur van Europa, heeft twee aspecten. Koersen wij af op een statenbond, een bondsstaat of een eenheidsstaat? En: hoe zal de democratie in dat geïntegreerde Europa institutioneel verankerd zijn? Lubbers heeft, met Jacques Delors, het beginsel van de subsidiariteit in het Europese discours geïntroduceerd. Dit rijkelijk vage begrip heeft voorheen vooral opgang gemaakt in de katholieke sociale leer in welke Delors en Lubbers beiden zijn geschoold.

In de Europese context wordt het gebruikt als een tweesnijdend zwaard. Het kan betekenen: datgene wat echt niet aan de top (Brussel) kan worden geregeld, mag aan de hoofdsteden der deelstaten worden overgelaten; maar het kan ook betekenen: datgene wat echt niet in de hoofdsteden kan worden geregeld, moet aan Brussel worden opgedragen. Op deze manier kan het door de politici naar bevind van zaken worden ingezet zowel ten bate van een naar hun mening te geringe macht van Brussel als ten bate van een grotere mate van decentralisatie. Lubbers doet dat ook. Op deze wijze probeert hij - en is daar tot nu toe min of meer in geslaagd - zowel de supra-gouvernementelen (de federalisten) als de intergouvernementelen (de "gaullisten') in het spoor van de Europese integratie te houden.

Het probleem van de verankering van de democratie is nog hachelijker. In het verleden is democratisering nooit gelijk opgegaan met staatsvorming. Staatsvorming liep altijd op democratisering vooruit. Niet zelden bleef democratisering zelfs geheel achterwege. Er zijn niet veel redenen om aan te nemen dat het bij een tot staatsvorming leidende Europese integratie anders zal gaan. De akkoorden van Maastricht behelzen stappen voorwaarts op de weg naar integratie, maar weinig meer dan een pas op de plaats wat betreft de democratisering.

De premier trachtte deze klip te omzeilen door vele schone woorden te wijden aan de democratie en voorlichtingsdebatten te verwarren met democratische procedures. Dat is heel onverstandig en ook onnodig. Onder zekere voorwaarden kan het goede politiek zijn om democratisering (tijdelijk) te offeren ten bate van voortschrijdende integratie. Dat moet dan wel duidelijk worden gezegd en de bittere noodzaak van integratie moet dan wel ondubbelzinnig worden aangetoond.

Hoewel op vele manieren hiertoe aangespoord en uitgedaagd kwam Lubbers niet veel verder dan het beamen van dringende politieke motieven voor integratie uit het verleden, zoals het voorkomen van een wereldoorlog, en het telkens weer opduikende economische motief. De paradox dat de interne markt tegelijkertijd een open markt moet zijn werd niet opgelost. Een antwoord op de vraag voor welke groepen der Europese bevolking in het algemeen en de Nederlandse bevolking in het bijzonder de integratie nu zo heilzaam is, heb ik niet gehoord. Voordat het parlement overgaat tot ratificatie van de akkoorden van Maastricht zou het daar eens wat meer duidelijkheid over moeten zien te krijgen.

Premier Lubbers sprak dikwijls over het avontuur van de Europese integratie. Hij heeft geen duidelijke voorstelling van wat de Europeanen samenbindt of wil die voorstelling niet met zijn medeburgers delen. Hij heeft geen duidelijke voorstelling van de toekomstige geografische omvang van het Paneuropese imperium in staat van wording of hij streeft naar een onbepaalde Europese ruimte die weinig lijkt op de staten zoals wij die uit de Europese geschiedenis kennen. Hij introduceerde en gebruikt het subsidiariteitsbeginsel om het streven naar een Europese federatie te kunnen versnellen of te vertragen al naar gelang het hem politiek uitkomt. Hij zegt de democratie te koesteren, maar legt zich neer bij een stagnerende democratisering ten bate van voortgaande integratie waarvan het doel in nevelen ligt gehuld. Zijn motieven voor integratie zijn verouderd of van hoofdzakelijk economische en weinig gespecificeerde aard. Het Europese avontuur van premier Lubbers is het bureaucratische avontuur van de bestuurder/politicus die hoopt en verwacht dat het middel ooit het doel nog eens zal openbaren en dat het doel dan heilig en heilzaam zal blijken te zijn.