Kleren

Intellectuelen willen het niet waar hebben en bieden soms zelfs enige tegenstand, maar kleren zijn akelig belangrijk voor akelig veel mensen. En juist daarom grijpen de mensen - laat ik dit nu maar even onpersoonlijk formuleren, je blijft aan het bekennen - zo gruwelijk vaak mis. Net als in de liefde eigenlijk, of bij het kopen van een huis, of bij andere gewichtige keuzes in het leven. Hoe lotsbepalender de beslissing, des te groter de neiging om haar onbesuisd te nemen.

Moet daar niet de verklaring liggen voor het verschijnsel dat de meeste mensen er zo onooglijk uitzien, terwijl er zo veel kleren te koop zijn, waaronder toch ook heel acceptabele? Hun dikke konten in slechtzittende broeken, hun door knellende behaas verwrongen boezems in bloesjes met kitscherig borduursel? Schoudervullingen, creatieve truien, broekrokken?

Het probleem is de expressie. De banaliteit toon mij wat u draagt en ik zal zeggen wie u bent is tot een erkende wijsheid geworden. De modebladen toeteren hun publiek de oren vol met termen als ”persoonlijkheid' en ”eigen stijl' en de suggestie dat zij hun lezeressen kunnen helpen met het maken van een ”eigenwijze keus'.

Niemand vindt namelijk een jas nog interessant of begerenswaardig nu iedereen genoeg jassen heeft, en zeker de gemankeerde kunstenaars in het advertentie- en het modebladenwezen niet. Visueel communiceren, een stijl voor de jaren negentig creëren, grenzen verleggen, ziedaar de ambities in die sector, van de machtigste ontwerper tot het kleinste produktieassistentje. De pretenties zijn oeverloos geworden, en daarvan moet die jas de geest ademen.

Intussen moet iedereen toch elke dag iets aan, of hij nu beschikt over een persoonlijkheid om uit te drukken of niet. De tragische resultaten lopen op straat. Vroeger was de keus niet zo verwarrend, sterker nog, hij lag vast: Jan droeg een pet, Laura een hoedje met voile. Sociale positie was het enige dat kleren weerspiegelden, en dat ging vanzelf.

De kunsthistorica Anne Hollander, die een mooi boek over kleding heeft geschreven, oppert dat dat zou kunnen verklaren waarom mensen vroeger, als men althans de literatuur mag geloven, zo veel makkelijker door vermommingen te misleiden waren. Als Laura het pak van een bootwerker aantrok, als Sherlock Holmes zich verkleedde als inbreker, dan werd dat geaccepteerd omdat niemand gewend was een tweede blik op zijn medemens te werpen.

Er is trouwens nog wel wat over van die uniforme duidelijkheid. Langs de Nederlandse voetbalvelden staat het op zaterdag vol met glanzend-kreukelige trainingspakken in zwart, paars en ”mintgroen'; langs de hockeyvelden vind je donkerblauwe rokken, sjaaltjes, jagersjassen. Maar die klassenverschillen, hoe onthutsend ook, gaan meestentijds onder in zeeën van zelfexpressie, waarin iedereen kiest uit een onbeperkt aantal mogelijkheden - of zich verbeeldt dat te doen. Je zou kunnen wensen dat het weer werd zoals eerst. Wat zou het niet een lelijkheid, geld en getob schelen als Nederland ineens, in een vlaag van gelijkheidskoorts, een uniformplicht invoerde, een soort hele nette joggingpakken bijvoorbeeld, zonder opdruk. Alleen bij daglicht om te beginnen, en alleen buitenshuis. Maar de waarheid is natuurlijk dat de meeste Nederlanders graag geld uitgeven, houden van getob, en naar valt te vrezen ook van lelijkheid.

Toch stemt het mij wel vrolijk dat zij die de kleren verkopen zich, nu de zelfexpressie pasmunt is geworden en de pretenties de hemel in rijzen, geen raad meer weten. Het gaat slecht met de confectie-industrie. Nu komen ze met foto's van stervende vogels, vuilnisbelten en naakte negerkindjes, en als zij de kans kregen zouden zij Unicef of het Concertgebouw opkopen om te tonen hoe goed zij het met de wereld menen. Alleen wat de mensen aan willen, en of zij eigenlijk nog wel nieuwe kleren willen, die vragen schijnen, o wonder, toch hier en daar klemmend te worden. De mode opgeblazen en uiteengespat, als dat eens waar was.